Rechtbank DEN HAAG
Zittingsplaats ’s-Gravenhage
nv/c/d
Zaaknr.: 10175428 RP VERZ 22-50508
Uitspraakdatum: 20 april 2023
Beschikking van de kantonrechter in de zaak van:
de gemeente Zoetermeer,
gevestigd te Zoetermeer,
verzoekende partij,
verder te noemen: de gemeente,
gemachtigde: mr. J. Lubking,
tegen
de Ondernemingsraad van de gemeente Zoetermeer,
gevestigd te Zoetermeer,
verwerende partij,
verder te noemen: de OR,
gemachtigde: mr. L.N. Gringhuis.
1. Het procesverloop
De gemeente heeft de kantonrechter bij verzoekschrift, bij de griffie ingekomen op 25 oktober 2022 verzocht vervangende toestemming te verlenen, als bedoeld in artikel 27 lid 4 Wet op de Ondernemingsraden (hierna: WOR). De OR heeft een verweerschrift ingediend en bij e-mailbericht van 16 januari 2023 nog een aanvullende productie.
Op 18 januari 2023 heeft de mondelinge behandeling van het verzoek plaats gevonden. Verschenen zijn de heer [naam 1] en mevrouw [naam 2] namens de gemeente, bijgestaan door mr. J. Lubking, alsmede de heer [naam 3] namens de OR, bijgestaan door mr. L.N. Gringhuis. Daarbij zijn aan de zijde van de OR spreekaantekeningen overgelegd. Van het verhandelde ter zitting zijn door de griffier aantekeningen gemaakt die zich in het procesdossier bevinden.
Vervolgens is de zaak aangehouden, om partijen in de gelegenheid te stellen de mogelijkheden van een minnelijke schikking te onderzoeken. Bij e-mailberichten van 2 respectievelijk 3 maart 2023 hebben de OR en de gemeente laten weten dat zij er niet uit zijn gekomen en verzocht om beschikking te wijzen. De kantonrechter heeft vervolgens beschikking bepaald op heden.
De aan de zijde van de gemeente bij haar e-mailbericht van 3 maart 2023 overgelegde spreekaantekeningen – die op de mondelinge behandeling zijn voorgedragen – zijn in het procesdossier gevoegd. De overige bij het e-mailbericht gevoegde stukken zullen buiten beschouwing worden gelaten (zoals ook is verzocht door de OR) omdat de kantonrechter partijen geen gelegenheid heeft geboden om na de mondelinge behandeling stukken in het geding te brengen.
2. De feiten
De gemeente heeft in de nazomer van 2021 een projectgroep opgericht om een visie op hybride werken te formuleren en dit in een regeling uit te werken. In december 2021 is de OR hierover geïnformeerd en in de maanden daarna is de OR op de hoogte gehouden over de voortgang.
Op 24 januari 2022 is genoemde visie vastgesteld:
“(…) Visie
(…) Het is belangrijk hybride samenwerken vanuit een breder perspectief te zien dan de individuele keuze om vanuit een andere locatie te werken. Het houdt ook rekening met de verschillen tussen afdelingen/teams en de eisen die hun werkzaamheden stellen aan de manier van werken. Om echt samen en integraal te kunnen bouwen zullen we in het vormgeven van het hybride werken dus ook oog moeten hebben voor de samenwerking tussen afdelingen/teams en hoe keuzes op dit niveau het functioneren van de organisatie beïnvloeden. (…)
Hybride werken heeft verschillende voordelen (…) Maar het stelt ons ook voor belangrijke uitdagingen, denk hierbij aan:
Hoe zorgen we dat mensen zich verbonden blijven voelen met elkaar en met de organisatie?
Hoe ziet de invulling van de rol van leidinggevende eruit in een organisatie die hybride werkt? En welke rol zouden medewerkers in deze nieuwe manier van werken moeten pakken? (…)
Het vormgeven van het hybride samenwerken in onze organisatie is dus het vinden van een balans tussen de werkzaamheden, de werkwijze binnen de verschillende organisatieonderdelen en de behoeften van de individuele collega’s. Dit is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van werkgever en werknemer. Om dit proces op een goede manier vorm te geven is het belangrijk om kaders te formuleren. (…)”
Op 21 april 2022 heeft (het directieteam van) de gemeente de Regeling Hybride Werken (hierna ook: de Regeling) – met bijlagen – en het aangepaste Arboplan vastgesteld.
Op 2 mei 2022 heeft de gemeente de Regeling en de aanvulling op het Arboplan ter instemming aangeboden aan de OR. In de begeleidende brief schrijft de gemeente onder meer:
“(…) Visie hybride werken
De coronacrisis heeft op vele fronten een grote invloed op onze maatschappij en niet in de laatste plaats op het werkende leven. (…) Thuiswerken zal ook in de toekomst een structureel onderdeel uitmaken van de manier waarop wij als organisatie willen werken. Dit leidt tot een hybride situatie waarin we zowel thuis als op kantoor gaan werken.
Op 24 januari heeft het DT een visie vastgesteld over de manier waarop wij als organisatie willen samenwerken. Deze visie is in gezamenlijkheid tot stand gekomen; met input van het directieteam, het management en medewerkers via de klankbordgroepen. In de klankbordgroepen zijn medewerkers van een groot aantal afdelingen vertegenwoordigd. De visie is op 21 april gecommuniceerd aan alle medewerkers (…)
Afspraken over hybride werken
Het uitgangspunt is dat de leidinggevende in overleg met de medewerker afspraken over hybride werken maakt. Daarbij wordt allereerst bepaalt of hybride werken überhaupt mogelijk is. (…) Is hybride werken mogelijk, dan maken leidinggevende en medewerkers samen afspraken hierover. De regeling geeft handvaten welke afspraken over welke onderwerpen gemaakt worden. De werkgever blijft zijn instructierecht houden (…) Een belangrijke afspraak in het kader van hybride werken is de afspraak over het werken op een ergonomische thuiswerkplek. Dit is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van werkgever en werknemer. Hierbij wil de werkgever de werknemer faciliteren en een vergoeding geven voor de aanschaf van thuiswerkmiddelen die noodzakelijk zijn om de thuiswerkplek ergonomisch in te richten.
Gekozen is voor het uitgangspunt dat de medewerker zelf de thuiswerkmiddelen aanschaft. (…) Wel worden minimumeisen aan de thuiswerkmiddelen gesteld zodat deze aan de Arbo-eisen voldoen. De vergoeding is een maximumvergoeding – de hoogte is bepaald door een marktonderzoek – en het meerdere komt voor rekening van de medewerker. (…)
Arboplan
Om fiscale vrijstelling van de vergoeding van de thuiswerkmiddelen te bereiken, moeten deze opgenomen worden in het Arboplan. (…)
Op basis van de informatie in deze aanbiedingsbrief en de bijgevoegde stukken, verzoek ik u uw instemming te verlenen. Is een nadere toelichting gewenst, dan is het projectteam uiteraard bereid om die in een vergadering van de ondernemingsraad te geven.”
Bij e-mailbericht van 2 juni 2022 heeft de OR aangegeven dat hij ten aanzien van een aantal punten verduidelijking wil ontvangen:
“(…)
1. Declaraties thuiswerkmiddelen: op dit moment is vastgelegd dat de medewerker de kosten achteraf vergoedt krijgt. De OR ziet hier als gevolg dat de medewerkers noodzaakt zijn dit bedrag voor te schieten. Dit kan financieel mogelijk niet haalbaar zijn (…) De OR ziet hier graag een beschreven procedure voor om dit haalbaar te maken voor medewerkers voor welke dit treffen.
2. Headset: in de regeling voor het hybride werken ontbreekt de headset. Als OR zijn wij van mening dat bij het vergaderen op kantoor/thuis noodzakelijk is om een headset met noise-cancelling te gebruiken. De OR ziet dit alsnog graag toegevoegd aan de regeling (…)
3. Wifiversterker: de OR ziet een wifiversterker als een essentieel onderdeel voor het creëren van een stabiele thuiswerkplek. In de huidige voorgestelde regeling (…) zijn deze kosten voor rekening van de medewerker. De OR ziet deze graag toegevoegd worden aan de nieuwe regeling op kosten van de werkgever.
4. Indexering: op dit moment is er geen beschrijving m.b.t. de jaarlijkse indexering in de regeling Hybride werken. De OR ziet dit graag toegevoegd worden aan de nieuwe regeling.
5. Openingstijden Stadhuis (…)
6. Verlichting (…)
Op 8 juni 2022 heeft de gemeente als volgt gereageerd:
“(…)
Vraag 1: Vergoeding van gemaakte kosten achteraf
De werkgever heeft als algemeen uitgangspunt geen voorschotten te verstrekken. In andere situaties/regeling is een dergelijke mogelijkheid daarom ook niet opgenomen. Zoals in het gesprek met de OR over de regeling is aangegeven, is een voorschot daarom steeds hoge uitzondering en maatwerk. Ook in deze regeling zijn daarom geen bepalingen hierover opgenomen. Omdat het onwenselijk is dat voorfinanciering tot problemen leidt, zullen we in de communicatie aandacht besteden aan zo’n situatie en aangeven dat de medewerker dan in overleg kan treden met P&O.
Ad 2 en 3: Vergoeding kosten headset en wifi-versterker
Bij het opstellen van de regeling is als uitgangspunt genomen dat de werkgever alleen een vergoeding voor Arbo-verplichte middelen thuis verstrekt. Medewerkers hebben immers ook de mogelijkheid om vanuit kantoor hun werkzaamheden te verrichten. Hierbij is ook meegewogen dat we verantwoord met gemeenschapsgeld om willen gaan en in de thuisomgeving bijvoorbeeld een wifiversterker ook privé kan/zal worden gebruikt. (…)
Omdat een headset niet valt onder de verplichte Arbomiddelen is ervoor gekozen deze niet voor vergoeding in aanmerking te laten komen. Dit geldt ook voor een wifi versterker. Wel is in de regeling voor medewerkers al een (extra) mogelijkheid opgenomen voor het krijgen van een vergoeding voor wifi-advies over de thuiswerkplek door een externe partij. Een advies hierover kan een stabiel wifi-netwerk bevorderen en vragen van werknemers hierover wegnemen. (…)
Ad 4: Indexering vergoedingen
Een terechte opmerking. In de regeling is nu een jaarlijkse indexering opgenomen (…)”
In de overlegvergadering van 23 juni 2022 hebben de gemeente en de OR verder gesproken over de hiervoor onder 2.5. en 2.6. (deels) weergegeven punten:
“(…) De OR (…) heeft naar de bestuurder aangegeven drie punten te hebben, waarover de OR graag duidelijkheid vraagt. De OR heeft de bestuurder verzocht om een vergoeding van headsets, wifi-versterker en een voorschot te kunnen krijgen bij de aanschaf van thuiswerkmiddelen. Een mogelijkheid tot voorschot in plaats van alleen maar achteraf declareren.
De bestuurder antwoordt dat de regeling aangepast zal worden met betrekking tot een voorschot, maar dan alleen in bepaalde gevallen.
Hij voegt verder toe, dat de regeling niet uitgebreid zal worden met een headset, omdat deze prijzig is en niet fiscaal vrijgesteld. Daarnaast is deze post niet opgenomen in de begroting en zou de bestuurder naar de Raad moeten voor meer geld. Daarnaast hebben medewerkers ook de mogelijkheid om de oortjes van de telefoons te gebruiken. (…)
De OR vraagt waarom headsets dan eerder werden verstrekt en de bestuurder antwoordt, dat dit in het kader van het verplicht thuiswerken was. (…)
De OR vraagt de bestuurder de headset en wifi-versterker als een optie op te nemen voor vergoeding en de bestuurder antwoordt dat er twee mogelijkheden zijn voor hem namelijk vergoeding niet opnemen in de regeling hybride werken of naar de Raad voor meer geld en dat laatste gaat de bestuurder niet doen.
De OR vraagt om inzage in wat is uitgegeven aan headsets. De bestuurder zegt dit toe. (…)
Op 5 juli 2022 heeft de gemeente een aangepaste Regeling verstuurd, waarin de hardheidsclausule met betrekking tot het voorschot is opgenomen. Vervolgens heeft op 7 juli 2022 weer een overleg plaatsgevonden tussen de gemeente en de OR. In de daaropvolgende periode is nog gecorrespondeerd tussen partijen en heeft overleg plaatsgevonden.
Bij brief van 19 september 2022 heeft de OR de gemeente schriftelijk laten weten niet in te stemmen met de Regeling:
“(…) Nadat de OR u heeft bericht een aantal bezwaren tegen de Regeling te hebben, is hierover de afgelopen maanden overleg met u gevoerd en heeft u een aantal vragen van ons beantwoord. Ook bent u de OR op een aantal punten, zoals het verstrekken van een voorschot, tegemoet gekomen. De OR waardeert dat.
Over een ander voor de OR essentieel punt, de willekeur en het gebrek aan transparantie ten aanzien van de praktische uitwerking van de Regeling, zoals bijvoorbeeld het verstrekken van headsets en de wifi-versterking, is het helaas niet gelukt met u tot afspraken te komen. Om die reden zal de OR dan ook niet instemmen met de Regeling Hybride werken. (…)
U heeft aangegeven niet meer met de OR te willen overleggen over de Regeling, omdat de standpunten genoegzaam bekend zijn. U heeft aangegeven haast te hebben met de invoering van de Regeling, vanwege het snel kunnen faciliteren van de medewerkers bij het inrichten van een ergonomische werkplek die aan de arbo-vereisten voldoet. De OR merkt op dat het faciliteren van een (thuis)werkplek die voldoet aan de arbo-vereisten een wettelijke verplichting is op grond van Arbowetgeving en dat de OR het uiteraard toejuicht dat dit snel geregeld wordt. Echter, de Regeling Hybride Werken is veelomvattender. De OR heeft in zijn brief aan u van 5 augustus jl. toegelicht ten aanzien van welke onderdelen van deze regeling hij nog een nadere toelichting wenselijk vindt.
In uw brief aan de OR van 14 september jl. heeft u echter aangegeven niet inhoudelijk op deze punten in te willen gaan, omdat u deze onderwerpen in het kader van dit instemmingstraject niet van belang acht. U stelt dat over de implementatie van de Regeling pas afspraken moeten worden gemaakt, nadat de OR met de Regeling heeft ingestemd. Het is echter geenszins onredelijk dat de OR vóórdat hij met de Regeling instemt helder heeft hoe de implementatie van de Regeling er concreet uit komt te zien en hoe wordt geborgd dat dit op een zorgvuldige en transparante wijze geschiedt.
Het gaat immers om belangrijke zaken, zoals de wijze waarop geborgd wordt dat mensen zich verbonden blijven voelen met elkaar en de organisatie en hoe de invulling van de rol van leidinggevende eruitziet. De headsets en wifi-versterker moeten in dat brede perspectief worden geplaatst. De OR begrijpt daarom niet dat u als onderbouwing waarom u niet met de aandachtspunten van de OR aan de gang gaat, aangeeft dat u ‘de regeling zonder de aanpassingen van de OR al een goede regeling is om een Arbo conforme thuiswerkplek te garanderen’. Voorts ontbreekt nog steeds een financiële onderbouwing van het standpunt dat het vergoeden van headsets geen optie is. Daarnaast is het de OR nog steeds niet duidelijk waarom de Raad niet om meer geld kan worden gevraagd (mocht dit dan nodig zijn).
(…)
Het gaat de OR erom dat in de Regeling wordt opgenomen welke functie(groepen) voor een headset -of een vergoeding daarvoor- in aanmerking kunnen komen en aan welke criteria daarbij moet worden voldaan. Dit om te voorkomen dat, zoals nu het geval is, het verkrijgen van een headset afhankelijk is van de leidinggevende voor wie je werkt. De OR wil een transparante en eerlijke regeling, waarbij op basis van objectieve criteria voor iedereen duidelijk is wanneer een verzoek voor, bijvoorbeeld, een headset zal worden gehonoreerd. Het buiten de Regeling om eventueel wel verstrekken van headsets, strookt hiermee niet. Daarnaast ontvangt de OR signalen van leidinggevenden dat headsets wel zullen worden verstrekt, wat maakt dat de OR bang is dat willekeur ontstaat. Dit is onwenselijk. Om die reden ziet de OR headsets graag in de regeling terug.
Daarnaast is er discussie ontstaan over de hardheidsclausule. De OR meent dat er in de Regeling een hardheidsclausule moet worden opgenomen, die ziet op de gehele regeling. Medewerkers die menen dat de regeling voor hun niet goed uitpakt, moeten een beroep op een dergelijke clausule kunnen doen. Dat betekent ook dat er sprake moet zijn van een onafhankelijke commissie die een dergelijk verzoek toetst. Ook dit om willekeur te voorkomen. (…) De OR begrijpt niet waarom een dergelijke procedure, die toch in veel regelingen en overeenkomsten opgenomen wordt is, bij u op zoveel weerstand stuit.
(…)
De OR meent oprecht dat het gezien het bovenstaande niet onredelijk is dat hij – op dit moment – niet met de Regeling Hybride Werken instemt. (…)”
3. Het verzoek
De gemeente verzoekt, bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, de instemming van de OR voor de (aangepaste) Regeling Hybride Werken door de toestemming van de kantonrechter als bedoeld in artikel 27 lid 4 WOR te vervangen, zodat de gemeente kan overgaan tot invoering van de (aangepaste) regeling Hybride werken op de in de Regeling genoemde datum van 1 juli 2022, althans 1 januari 2023, althans op een nader te bepalen datum.
Aan dit verzoek legt de gemeente – samengevat –het volgende ten grondslag.
De Regeling biedt alle medewerkers die hybride kunnen werken de mogelijkheid om hun thuiswerkplek ergonomisch en conform de Arbowet in te richten. Door instemming te weigeren ontzegt de OR deze mogelijkheid niet alleen aan medewerkers, maar stelt zij ook de gemeente niet in de gelegenheid medewerkers te faciliteren bij de inrichting van een veilige en ergonomische thuiswerkplek. Dit is onredelijk. De belangen van de gemeente dienen zwaarder te wegen dan die van de OR, allereerst omdat de gemeente dient te voldoen aan haar zorgplicht als bedoeld onder 7:658 BW. Daaronder valt ook een veilige en gezonde werkplek. De gemeente heeft aansluiting gezocht bij de in hoofdstuk 5 van de Arbeidsomstandighedenregeling genoemde thuiswerkmiddelen. Headsets en wifi-versterkers worden in de wet- en regelgeving niet genoemd als zijnde noodzakelijk om de werkplek te laten voldoen. Daarnaast zouden de kosten voor headsets en wifi-versterkers een aanzienlijke en onevenredig grote structurele verhoging van de kosten voor de Regeling met zich brengen. De gemeenteraad heeft alleen budget ter beschikking gesteld voor thuiswerkmiddelen die noodzakelijk zijn voor een ergonomische thuiswerkplek conform de Arbowetgeving. Tot slot geldt dat indien de OR wel instemming had verleend, de medewerkers vanaf 1 juli 2022 al een vergoeding voor (de in de Regeling opgenomen) thuiswerkmiddelen hadden kunnen krijgen. Door instemming te weigeren zijn hun belangen en daarmee de (bedrijfssociale) belangen van de gemeente geschaad.
4. Het verweer
De OR concludeert tot afwijzing van het verzoek van de gemeente, met veroordeling van de gemeente in de proceskosten.
Samengevat voert de OR daartoe aan dat zijn argumenten om instemming aan de Regeling te onthouden zwaarder wegen dan de argumenten van de gemeente voor het voorgenomen besluit. Daarnaast heeft de gemeente niet (voldoende) onderbouwd dat sprake is van zwaarwegende bedrijfsbelangen die maken dat vervangende toestemming moet worden verleend. Op de argumenten van de OR wordt hierna, voor zover voor de beoordeling van belang, nader ingegaan.
5. De beoordeling
Tussen partijen is niet in geschil dat de gemeente op grond van artikel 27 lid 1 WOR instemming van de OR behoeft voor haar voorgenomen besluit tot vaststelling van de Regeling en dat de OR deze instemming niet heeft gegeven.
In deze zaak gaat het om de vraag of de kantonrechter vervangende toestemming dient te verlenen aan de gemeente om haar voorgenomen besluit tot invoering van de Regeling te nemen. Op grond van artikel 27 lid 4 WOR geeft de kantonrechter deze vervangende toestemming slechts, indien de beslissing van de OR om geen instemming te geven onredelijk is, of het voorgenomen besluit van de gemeente gevergd wordt door zwaarwegende bedrijfsorganisatorische, bedrijfseconomische of bedrijfssociale redenen.
Van onredelijkheid van de beslissing van de OR is sprake indien de argumenten van de gemeente voor het voorgenomen besluit zwaarder wegen dan die van de OR voor het onthouden van zijn instemming. Indien de argumenten van beide partijen even zwaar wegen, onthoudt de kantonrechter toestemming, tenzij de ondernemer aan kan tonen dat zwaarwegende bedrijfsbelangen noodzaken tot vervangende toestemming.
De OR heeft aangevoerd dat hij het van belang acht dat de Regeling een transparante, toekomstbestendige regeling wordt, die door alle leidinggevenden hetzelfde wordt toegepast. De OR wil hierbij zoveel mogelijk wegblijven van het verstrekken van vergoedingen of middelen buiten de Regeling om. Ook moeten de bepalingen in de Regeling duidelijk zijn, zodat deze niet op meerdere manieren kunnen worden uitgelegd. Anders bestaat het risico op willekeur. Om die reden heeft de OR de gemeente een aantal vragen gesteld ter verduidelijking en toelichting en heeft hij de gemeente enkele vraagstukken voorgelegd, die van belang zijn bij de Regeling, zoals de rol van de leidinggevende en hoe wordt gezorgd voor een goede bereikbaarheid en afstemming met collega’s.
In het verlengde hiervan voert de OR – onder verwijzing naar artikel 31 WOR (het informatierecht) – aan dat hij onvoldoende informatie van de gemeente heeft ontvangen om de keuzes, afwegingen en beweegredenen van de gemeente te beoordelen.
De gemeente stelt voorop dat zij belang heeft bij invoering van de Regeling, omdat zij als werkgever verantwoordelijk is voor een veilige en gezonde werkplek. Dit staat ook niet ter discussie. De gemeente wijst in dit verband voornamelijk op haar verplichtingen op grond van de Arbeidsomstandighedenregeling ten aanzien van de thuiswerkmiddelen. In het verlengde hiervan heeft de OR naar het oordeel van de kantonrechter terecht aangevoerd dat de Regeling niet alleen ziet op het inrichten van een ‘arbo-proof’ (thuis)werkplek, maar dat de Regeling veelomvattender is. Dit onderschrijft de gemeente zelf ook in de visie die zij op 24 januari 2022 heeft vastgesteld. Hierin staat immers: “Het vormgeven van het hybride samenwerken in onze organisatie is dus het vinden van een balans tussen de werkzaamheden, de werkwijze binnen de verschillende organisatieonderdelen en de behoeften van de individuele collega’s. Dit is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van werkgever en werknemer. Om dit proces op een goede manier vorm te geven is het belangrijk om kaders te formuleren.” (zie 2.2.).
De Regeling ziet dus niet alleen op het thuiswerken, maar op hybride werken in zijn geheel, dus ook het werken op kantoor. Met het argument, dat een headset en wifi-versterker niet worden genoemd als thuiswerkmiddelen in de Arbeidsomstandighedenregeling en dus niet noodzakelijk zijn om een werkplek te laten voldoen aan de hiervoor geldende voorwaarden, lijkt de gemeente hier (in ieder geval wat de headset betreft) geheel aan voorbij te gaan. In dit verband heeft de OR onweersproken aangevoerd, dat ook het werken in de kantoortuin maakt dat medewerkers behoefte kunnen hebben aan een headset en in het verlengde hiervan aan duidelijkheid over de vraag onder welke voorwaarden deze worden verstrekt.
Bovendien geldt dat de OR, anders dan de gemeente in haar verzoekschrift stelt, zijn instemming niet enkel heeft onthouden omdat hij ook een headset en wifi-versterker voor (gedeeltelijke) vergoeding in aanmerking wil laten komen. Zoals de OR aan de gemeente schrijft (zie 2.9.) gaat het de OR om het voorkomen van willekeur en gebrek aan transparantie ten aanzien van de praktische uitwerking van de Regeling. Dat de zorgen ten aanzien van willekeur terecht zijn, is ter zitting gebleken. Daar heeft de gemeente immers medegedeeld dat headsets wel functie specifiek worden verstrekt, maar heeft zij niet aangegeven waar dit is vastgelegd, voor welke functies dit geldt en welke voorwaarden daarvoor gelden. Daarbij komt bij dat de OR onweersproken heeft aangevoerd dat het afhankelijk is van de betreffende leidinggevende, of een headset wel of niet wordt verstrekt.
Gelet hierop is het naar het oordeel van de kantonrechter niet onredelijk dat de OR zijn instemming heeft onthouden.
Daarnaast heeft de gemeente gesteld dat de gemeenteraad alleen budget ter beschikking heeft gesteld voor thuiswerkmiddelen die noodzakelijk zijn voor een ergonomische thuiswerkplek conform de Arbowetgeving en dat de kosten van de Regeling
structureel en aanzienlijk omhoog gaan als ook headsets en wifi-versterkers zouden moeten worden vergoed. Als overheidswerkgever heeft de gemeenteraad een verantwoordelijkheid om zorgvuldig met overheidsgelden om te gaan, zodat het onredelijk is om van de gemeenteraad een verhoging van het budget te vragen. Ook heeft de OR, door zijn instemming te onthouden, de belangen van de medewerkers geschaad. Bij instemming hadden zij namelijk vanaf 1 juli 2022 een vergoeding voor thuiswerkmiddelen kunnen krijgen, aldus de gemeente.
Deze argumenten (en de verdere toelichting daarop) passen echter bij de tweede toets die op grond van artikel 27 lid 4 WOR dient te worden toegepast. Deze toets komt pas in beeld, als de argumenten van beide partijen even zwaar wegen (zie 5.2.). Naar de kantonrechter begrijpt doet de gemeente hier evenwel ook een beroep op ter onderbouwing van haar stelling dat het besluit van de OR om niet in te stemmen met de Regeling onredelijk is. Deze stellingen zijn evenwel onvoldoende onderbouwd. Dat ‘de door de OR gewenste uitbreiding’ maakt dat de kosten van de Regeling 45% stijgen, zoals de gemeente stelt en de OR betwist, leidt zonder nadere concrete toelichting – die ontbreekt – niet zonder meer tot de conclusie dat de beslissing van de OR om geen instemming te verlenen onredelijk is. Hetzelfde geldt voor de stelling van de gemeente, dat medewerkers – vanwege het ontbreken van instemming – nu geen vergoeding zouden kunnen krijgen voor thuiswerkmiddelen.
Conclusie uit het voorgaande is dat de beslissing van de OR om geen instemming te verlenen niet onredelijk is en dat al om die reden het verzoek tot het geven van vervangende toestemming zal worden afgewezen. De overige stellingen en verweren behoeven dan ook geen bespreking meer.
De gemeente zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten.
6. De beslissing
De kantonrechter:
wijst het verzoek van de gemeente af;
veroordeelt de gemeente in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van de OR vastgesteld op € 793,- wegens salaris gemachtigde.
Deze beschikking is gegeven door mr. E.A.W. Schippers, kantonrechter en op 20 april 2023 in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.