RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 januari 2023 in de zaak tussen
[Eiser], v-nummer: [nummer], eiser
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.190
(gemachtigde: mr. H. Palanciyan),
en
(gemachtigde: mr. G.J. Westendorp).
Procesverloop
1. Bij besluit van 3 januari 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 10 januari 2023 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. A.D. Kupelian, als waarnemer van zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.
Overwegingen
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op vaststelling van de identiteit of nationaliteit van eiser en met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000, als zware gronden vermeld dat eiser:3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;en als lichte gronden vermeld dat eiser:4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
De gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd heeft eiser niet bestreden. Eiser heeft op de zitting bevestigd dat de gronden de maatregel kunnen dragen. Uit de gronden volgt dat er een risico is dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Op de zitting heeft eiser ook geen redenen naar voren gebracht die aanleiding zouden kunnen geven de gronden van de maatregel van bewaring onvoldoende te achten
3. Eiser voert aan dat hem het voordeel van de twijfel moet worden gegeven. Hij heeft niet de intentie gehad om zich te onttrekken aan het toezicht. Toen eiser in Amsterdam werd aangehouden en in bewaring werd gesteld had hij weliswaar geen rechtmatig verblijf vanwege de afwijzing van zijn (eerste) asielaanvraag, maar hij was wel onderweg naar Ter Apel om (opnieuw) asiel aan te vragen. Hij is er alleen niet in geslaagd om Ter Apel te bereiken. Tweemaal (in Zwolle en later in Amsterdam) heeft hij tevergeefs op het politiebureau om verstrekking van vervoersbewijzen naar Ter Apel verzocht maar hij werd weggestuurd. Zonder treinkaartje was het voor hem niet mogelijk om op het perron op te komen en naar Ter Apel te reizen.
De rechtbank begrijpt het betoog van eiser aldus dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel.
Verweerder stelt zich naar het oordeel van de rechtbank, gelet op de niet bestreden gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd, terecht op het standpunt dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Uit deze niet bestreden gronden volgt dat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder betrekt bij zijn standpunt terecht dat eiser geen gevolg heeft gegeven aan het terugkeerbesluit van 22 november 2022 dat hem is opgelegd bij de buitenbehandelingstelling van zijn (eerste) asielaanvraag. Verder wijst verweerder er terecht op dat eiser eerder met onbekende bestemming is vertrokken, hetwelk eiser ook niet heeft bestreden. In eisers verklaring, dat hij van plan was om naar Ter Apel te reizen en dat hij in dat verband én in Zwolle én in Amsterdam vervoersbewijzen naar Ter Apel heeft gevraagd en dat hem het voordeel van de twijfel gegund moet worden, hoeft verweerder, wat hier verder ook van zij, geen aanleiding te zien om een lichter middel toe te passen. Eiser is er immers in geslaagd om van eerst naar Zwolle en vervolgens naar Amsterdam te reizen, zodat niet valt in te zien waarom hij niet de mogelijkheid had om naar Ter Apel te reizen, zo hij stelt. Daarbij komt dat deze verklaring niet maakt dat het onttrekkingsrisico is komen te vervallen. De beroepsgrond slaagt niet.
4. In de door verweerder en eiser verstrekte gegevens ziet de rechtbank geen grond om, ambtshalve toetsend, te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.C. Schuurman - Kleijberg, rechter, in aanwezigheid van J. de Graaf, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.