RECHTBANK DEN HAAG
[eiser] , eiser V-nummer: [V Nummer]
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL22.25709
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
(gemachtigde: mr. M. Drenth),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. A.S. van den Anker).
Procesverloop
Bij besluit van 14 december 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Bulgarije verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep, samen met de zaak NL22.25710, op 10 januari 2023 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen J.A. Matti. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw); daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening) is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Bulgarije een verzoek om terugname gedaan. Bulgarije heeft dit verzoek aanvaard.
2. Eiser voert aan dat verweerder er ten onrechte vanuit gaat dat de informatie over pushbacks in Bulgarije niet ziet op Dublinclaimanten. Eiser verwijst hiertoe naar de
uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem van 14 december 20221 en zittingsplaats Den Bosch van 24 november 20222. Het standpunt van verweerder, dat slechts sprake is van een motiveringsgebrek en dat geen nader onderzoek is vereist, is volgens eiser dan ook onjuist.
3. De rechtbank overweegt als volgt. Zoals eiser terecht heeft aangevoerd, heeft verweerder zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat geen nader onderzoek is vereist naar het risico op pushbacks voor Dublinclaimanten in Bulgarije. In de uitspraak van rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 13 juni 2022 heeft de rechtbank verweerder opgedragen om nader onderzoek te verrichten naar de feitelijke situatie van Dublinclaimanten in Bulgarije. Hiertegen heeft verweerder geen hoger beroep ingesteld, waardoor deze uitspraak in rechte vast staat. Verweerder heeft naar aanleiding van deze uitspraak een aanvullend besluit genomen, waartegen beroep is ingesteld. Dit beroep is op 25 augustus 2022 door rechtbank Den Haag gegrond verklaard3, waarbij de rechtbank het volgende heeft geoordeeld:
“De rechtbank oordeelt dat verweerder niet heeft voldaan aan wat hem was opgedragen in de uitspraak van 13 juni 2022. Verweerder heeft namelijk geen nader onderzoek verricht, maar in het bestreden besluit opnieuw het standpunt ingenomen dat de pushbacks niet relevant zijn voor Dublinclaimanten. Dit standpunt van verweerder miskent de kracht van gewijsde van de uitspraak van 13 juni 2022. De rechtbank overweegt dat als verweerder het niet eens was met het oordeel in die uitspraak, hij hoger beroep had moeten instellen. Nu hij dat niet heeft gedaan moet er worden uitgegaan van de juistheid van dat oordeel.”
4. Deze uitspraak is bevestigd in de uitspraak van de Afdeling van 7 oktober 2022. In deze uitspraak is overwogen:
“De rechtbank is namelijk terecht en op goede gronden tot haar oordeel gekomen. De Afdeling neemt deze motivering over”. De rechtbank concludeert hieruit dat ook de Afdeling oordeelt dat verweerder nader onderzoek moet doen naar het risico op pushbacks voor Dublinclaimanten in Bulgarije.
5. Verweerder heeft geen nader onderzoek gedaan naar het risico op pushbacks voor Dublinclaimanten in Bulgarije. Het bestreden besluit is dan ook genomen is strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het vereiste dat het dient te berusten op een deugdelijke motivering. De beroepsgrond slaagt.
6. Gelet op het voorgaande behoeven de overige beroepsgronden geen bespreking.
7. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen aanleiding om zelf in de zaak te voorzien. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen, omdat dat naar het zich laat aanzien geen doelmatige en efficiënte afdoeningswijze zou inhouden. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van vier weken.
1. NL22.23531.
2 NL22.22545.
3 ECLI:NL:RBDHA:2022:8710.
8. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.674,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van
€ 837,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, rechter, in aanwezigheid van mr.
M.A.W.M. Engels, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
17 januari 2023
Documentcode: [Documentcode]
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.