RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser,
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.4787
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. B.J.P.M. Ficq),
en
(gemachtigde: L. Westerhof).
Procesverloop
Verweerder heeft op 5 oktober 2022 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Verweerder heeft de rechtbank van deze voortduring in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapport overgelegd.
Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en op 21 februari 2023 het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Marokkaanse nationaliteit te hebben.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag heeft gelegen rechtmatig was. Daarom staat nu ter beoordeling of sinds 30 november 2022 de maatregel van bewaring rechtmatig is.
4. Eiser stelt dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting, omdat verweerder nalaat eisers werkelijke naam, zoals opgegeven door eiser tijdens het vertrekgesprek van 12 oktober 2022, door te geven aan de Marokkaanse autoriteiten. Verder stelt eiser dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ontbreekt nu de bewaring al ruim drie maanden voortduurt zonder presentatie in persoon. Ook ontbreekt het zicht op uitzetting omdat de werkelijke naam van eiser nog niet bekend is bij de Marokkaanse autoriteiten en zijn vingerafdrukken niet overeenkomen met de wel doorgegeven naam.
5. Zoals reeds is overwogen in de uitspraak van de rechtbank van 7 december 2022 is op 8 november 2022 een aanvraag gedaan bij de Marokkaanse autoriteiten voor de afgifte van een laissez-passer aan eiser. Uit de voortgangsrapportage van verweerder, noch uit de bijgevoegde verslagen van de verschillende vertrekgesprekken volgt dat eiser tegenover verweerder, althans ambtenaren van DT&V, kenbaar heeft gemaakt dat de daarbij door verweerder gebruikte naam van eiser onjuist is. Eiser heeft dit ook niet verder geconcretiseerd en onderbouwd. Uit de thans door verweerder verstrekte informatie blijkt verder dat sinds het sluiten van het onderzoek door de rechtbank op 30 november 2022, op 7 december 2022, 9 januari 2023 en 8 februari 2023 vertrekgesprekken met eiser hebben plaatsgevonden. Daarbij is eiser meegedeeld dat nog wordt gewacht op een antwoord van de Marokkaanse autoriteiten op de aanvraag om een lp. Daarnaast is eiser nog gewezen op zijn eigen verantwoordelijkheid om zijn nationaliteit en identiteit aan te tonen. Gelet hierop ziet de rechtbank geen aanleiding voor de conclusie dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gehandeld.
6. De Afdeling heeft recent geoordeeld dat er geen aanleiding is om aan te nemen dat geen zicht op uitzetting binnen redelijke termijn naar Marokko bestaat. Wat eiser heeft aangevoerd, leidt de rechtbank niet tot een andere conclusie. Er is niet gebleken dat de aanvraag om een laissez-passer moet worden aangevuld door verweerder. De sinds de aanvraag verstreken tijd is niet zodanig dat moet worden getwijfeld aan de afgifte van een laissez-passer.
7. Ook overigens is niet gebleken dat het voortduren van de maatregel van bewaring onrechtmatig is.
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond; en
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van R. Ben Sellam, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.