RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.2890
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. F.A. van den Berg),
en
(gemachtigde: mr. P. Hopman).
Procesverloop
Bij besluit van 27 januari 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op de grond dat Spanje verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep, tezamen met de zaak NL23.2891, op 1 maart 2023 op zitting behandeld. Verzoeker en verweerder hebben zich beiden laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.
Overwegingen
1. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1995 en heeft de Jemenitische nationaliteit. Eiser heeft op 23 augustus 2022 asiel aangevraagd in Nederland.
2. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw. Uit onderzoek uit Eurodac is gebleken dat eiser op 8 juni 2021 in Spanje een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Om deze reden heeft Nederland de Spaanse autoriteiten verzocht eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid en onder b, van de Dublinverordening. De Spaanse autoriteiten hebben dit verzoek geaccepteerd.
3. Eiser voert daartegen aan dat ten aanzien van Spanje niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Eiser stelt dat hij in Spanje vijfmaal slachtoffer is geworden van zogenaamde 'pushbacks' door de Spaanse autoriteiten. Pas nadat de Marokkaanse autoriteiten het verzoek van Spanje om eiser nogmaals terug te nemen hadden geweigerd, heeft eiser in Spanje asiel kunnen aanvragen. Eiser verwijst ter onderbouwing van zijn standpunt naar een AIDA-rapport ‘Spain update 2021’ van 29 april 2022. Eiser beroept zich verder op de prejudiciële vragen die deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, in de verwijzingsuitspraak van 15 juni 2022 heeft gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie en stelt dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel ondeelbaar is.
4. Ter zitting heeft eiser nog verwezen naar een inbreukprocedure van 26 januari 2023 die is gestart door de Europese Commissie, waarbij onder andere Spanje is verzocht om binnen twee maanden te reageren op de bevindingen van de Europese Commissie dat niet alle bepalingen van de Opvangrichtlijn juist zijn omgezet. Eiser stelt dat Spanje gelet daarop niet voldoet aan de bepalingen van de Opvangrichtlijn.
De rechtbank oordeelt als volgt.
5. Niet in geschil is dat Spanje in beginsel verantwoordelijk is voor de behandeling van eisers verzoek om internationale bescherming. Uitgangspunt is dat verweerder op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan uit mag gaan dat Spanje zijn verdragsverplichtingen nakomt. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat dit in zijn geval anders is. Eiser is daarin niet geslaagd.
6. Ten aanzien van het door eiser aangehaalde AIDA-rapport van april 2022 heeft de Afdeling reeds in de hiervoor genoemde uitspraak geoordeeld dat dit rapport geen wezenlijk ander beeld schetst van de situatie in Spanje voor Dublinclaimanten dan uit de landeninformatie volgt die al bij de eerdere uitspraak van 8 juli 2021 is betrokken. Ook heeft
eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij door Spanje zal worden uitgezet zonder dat hij een verzoek om internationale bescherming heeft kunnen indienen, dan wel tijdens de behandeling daarvan. Allereerst hebben de Spaanse autoriteiten middels het claimakkoord van 19 oktober 2022 uitdrukkelijk te kennen gegeven dat het verzoek van eiser om internationale bescherming in behandeling zal worden genomen overeenkomstig de verdragsverplichtingen en de verschillende Europese richtlijnen op het gebied van het asielrecht. De informatie waarnaar eiser heeft verwezen bevat geen concreet aanknopingspunt voor het oordeel dat vreemdelingen die in het kader van de Dublinverordening op basis van een claimakkoord worden overgedragen in Spanje te maken krijgen met pushbacks. Dat eiser mogelijk in het verleden in Spanje slachtoffer is geworden van pushbacks leidt daarom niet tot een ander oordeel.
7. Verder heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat het enkele feit dat de Europese Commissie een inbreukprocedure is gestart onvoldoende is voor het oordeel dat ten aanzien van Spanje sprake is van structurele, fundamentele gebreken in de opvangvoorzieningen in Spanje. Eiser heeft bovendien niet concreet onderbouwd op welke wijze de Spaanse autoriteiten dan tekort zouden schieten in de opvang van Dublinclaimanten.
8. Voor zover eiser verzoekt om aanhouding in verband met de gestelde prejudiciële vragen ziet de rechtbank tot slot geen aanleiding om de beantwoording hiervan af te wachten. Eerdergenoemde uitspraak van de Afdeling van 27 januari 2023 dateert van nadat de prejudiciële vragen zijn gesteld en deze vragen hebben niet geleid tot een andere beoordeling. Bovendien heeft de Afdeling bij uitspraak van 8 september 2022 zich reeds uitgelaten over de deelbaarheid van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en geen aanleiding gezien om hierover prejudiciële vragen te stellen. De rechtbank volgt dit oordeel.
9. Het beroep is ongegrond.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. S.D.C.J. Verheezen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.