RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.2782
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. H.E. Visscher),
en
(gemachtigde: mr. R. Hopman).
Procesverloop
Bij besluit van 30 januari 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op de grond dat Letland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep, tezamen met de zaak NL23.2783, op 1 maart 2023 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht vooraf, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1998 en heeft de Oezbeekse nationaliteit. Eiser heeft op 20 augustus 2022 asiel aangevraagd in Nederland.
2. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw. Uit de documenten van eiser blijkt dat Letland een verblijfstitel aan eiser heeft verleend met een geldigheidsduur van 30 oktober 2020 tot en met 12 november 2021. De verblijfstitel van eiser is minder dan twee jaar verlopen. Om deze reden heeft Nederland de Letse autoriteiten verzocht om eiser over te nemen op grond van artikel 12, vierde lid, van de Dublinverordening. Letland heeft dit verzoek aanvaard.
3. Eiser voert daartegen aan dat ten aanzien van Letland niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Eiser is in Letland uitgebuit. Hij heeft daar gewerkt, maar kreeg geen salaris. Daarnaast zijn de leef- en opvangomstandigheden in Letland voor asielzoekers in strijd met artikel 3 van het EVRM en is er sprake van tekortkomingen in de asielprocedure. Ter onderbouwing verwijst eiser naar een aantal rapporten. Eiser stelt zich op het standpunt dat Nederland zijn asielaanvraag op grond van artikel 17 van de Dublinverordening aan zich moet trekken.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Niet in geschil is dat Letland in beginsel verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser. Uitgangspunt is dat verweerder op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan mag uitgaan dat Letland zijn verdragsverplichtingen zal nakomen en dat het aan eiser is om aannemelijk te maken dat dit in zijn geval anders is. Eiser is daarin niet geslaagd.
5. Het persoonlijk relaas van eiser biedt geen aanknopingspunten voor het oordeel dat Letland niet aan zijn verdragsverplichtingen voldoet. Het enkele feit dat eiser in Letland zou hebben gewerkt en niet is uitbetaald door zijn werkgever is daarvoor onvoldoende. Het beroep van eiser op de verschillende rapporten leidt evenmin tot een ander oordeel. Weliswaar volgt uit de rapporten van USDOS, de Parlementaire Vergadering en Amnesty International dat er een noodsituatie is afgekondigd in Letland, maar deze ziet op immigranten die illegaal de grens oversteken. Niet is gebleken dat dezelfde behandeling geldt voor Dublinclaimanten zoals eiser. De beroepsgrond dat de Europese Commissie heeft voorgesteld om ruimere tijdslimieten en een soepelere asielprocedure toe te staan en dat daarom niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan, slaagt evenmin. Immers, niet gebleken is dat dit voorstel al is uitgevoerd en of dit ook gevolgen heeft voor Dublinclaimanten. Verweerder heeft zich verder terecht op het standpunt gesteld dat eiser nog geen asielaanvraag heeft ingediend in Letland en hij dus niet kan putten uit persoonlijke ervaringen over de asielprocedure en de opvangfaciliteiten daar. Bovendien kan eiser zich bij voorkomende problemen in Letland wenden tot de daartoe aangewezen (hogere) autoriteiten dan wel geëigende instanties. Niet is gebleken dat de Letse autoriteiten hem niet zouden kunnen of willen helpen.
6. Eiser heeft verder geen omstandigheden aangevoerd op grond waarvan verweerder in redelijkheid aanleiding heeft hoeven zien om het verzoek om internationale bescherming van eiser op grond van artikel 17 van de Dublinverordening in behandeling te nemen.
7. Verweerder heeft eisers asielaanvraag dan ook terecht niet in behandeling genomen omdat Letland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
8. Het beroep is ongegrond.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. S.D.C.J. Verheezen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.