RECHTBANK DEN HAAG
[naam], eiser,
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.5999
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. S.A.M. Fikken),
en
(gemachtigde: mr. R. Hopman).
Procesverloop
Bij besluit van 27 februari 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 8 maart 2023 op zitting behandeld in Breda. Eiser is verschenen via een beeldverbinding. Hij heeft zich laten bijstaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen A. Khabote. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beslissing
De rechtbank:
Overwegingen
1. Eiser heeft zijn asielaanvraag op 27 februari 2023 ingetrokken. Naar aanleiding daarvan heeft verweerder de grondslag van de maatregel van bewaring gewijzigd. Verweerder heeft dit naar het oordeel van de rechtbank juist en tijdig gedaan.
2. De rechtbank stelt vast dat een geldig terugkeerbesluit is uitgevaardigd aan eiser. Ten overvloede heeft verweerder een aanvullend terugkeerbesluit genomen, omdat uit het eerdere terugkeerbesluit van 2 februari 2022 voldoende blijkt dat eiser dient terug te keren naar Marokko.
3. Verder stelt de rechtbank vast dat de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd niet zijn betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden feitelijk juist zijn en voldoende zijn toegelicht in de maatregel van bewaring. Deze gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen.
3. Nu is aangenomen dat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert, heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat een lichter middel niet doeltreffend is toe te passen.
4. Tot slot is de rechtbank van oordeel dat verweerder voldoende voortvarend handelt om te komen tot een uitzetting en is er ook voldoende zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Marokko. Verweerder heeft op 1 maart 2023 een LP-aanvraag ingediend bij de Marokkaanse autoriteiten. Omdat dit kort geleden is gedaan, kan nu niet worden gezegd dat er geen zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn is.
5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 8 maart 2023 door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van R. Ben Sellam, griffier, en het proces-verbaal ervan is openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.