ECLI:NL:RBDHA:2023:458

ECLI:NL:RBDHA:2023:458, Rechtbank Den Haag, 06-01-2023, 22/696

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 06-01-2023
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 22/696
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RVS:2025:986
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 1 zaken
Aangehaald door 2 zaken
3 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005537 CELEX:32016R0679 EU:32016R0679

Samenvatting

Afgewezen AVG-verzoek

Uitspraak

[eiseres], uit [woonplaats], eiseres

(gemachtigde: mr. N. Baouch),

en

de leerplichtambtenaar van de gemeente Den Haag, verweerder

(gemachtigde: mr. A.H.G. Blankenstein).

Inleiding

Op 22 december 2020 heeft eiseres met een e-mail een klacht ingediend met de vraag hoe ze tegen een brief van verweerder van 7 november 2019 bezwaar kan indienen.

Verweerder heeft de e-mail aangemerkt als herhaling van een eerder verzoek van eiseres en dat bij besluit van 19 januari 2021 afgewezen. Eiseres maakt hiertegen bezwaar.

Met het besluit van 3 november 2021 op het bezwaar (bestreden besluit) is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.

Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

De rechtbank heeft het beroep op 28 december 2022 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en haar gemachtigde en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?

1. Deze zaak gaat over een inzageverzoek, als bedoeld in artikel 15 van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG). Eiseres wil informatie inwinnen bij verweerder betreffende haar drie kinderen naar aanleiding van een schoolkwestie. Zij heeft dit gedaan op 8 oktober 2019 en verweerder heeft daarop bij brief van 7 november 2019 gereageerd en informatie verstrekt.

Op 22 december 2020 stuurt eiseres een e-mail met onderwerp ‘klachtenafdeling leerplicht’ aan verweerder. Daarin stelt zij dat de informatie die zij bij brief van 8 oktober 2019 heeft ontvangen onvolledig is en dat zij bezwaar had willen maken, maar de brief geen bezwaarclausule heeft. Zij vraagt hoe zij de mogelijkheid krijgt om in bezwaar te gaan, daar het nu maanden later is. Verweerder stelt dat naar aanleiding van de e-mail van 22 december 2020 nogmaals is gecontroleerd of alle stukken uit de dossiers van de kinderen van eiseres, die onder het door eiseres gedane inzageverzoek vallen, meegenomen zijn in de beoordeling. Ook bij nadere beschouwing blijkt dit het geval. Daarom kan verweerder eiseres geen andere stukken verstrekken dan al is gedaan. Voor zover verweerder de e-mail van 22 december 2020 zou moeten opvatten als een herhaald verzoek om inzage wijst verweerder, met verwijzing naar het eerdere besluit van 7 november 2019, het verzoek af op grond van artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Eiseres is het oneens met het besluit en maakt bezwaar.

Het bestreden besluit

2. Het verzoek is terecht met verwijzing naar het besluit van 7 november 2019 geweigerd. Eiseres heeft onvoldoende aangetoond dat er nieuwe feiten en omstandigheden, als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb, zijn. Het ingediende overzicht met citaten en verdenkingen uit het dossier Leerplichtambtenaar volstaat niet. De stelling van eiseres dat er meer moet zijn is daarmee onvoldoende aannemelijk gemaakt. Ook heeft eiseres niet afdoende gemotiveerd waarom de door haar genoemde verwijzingen van haar nieuwe verzoek onder de reikwijdte van haar AVG-verzoek zouden vallen. Er zijn niet meer documenten met verwerkte persoonsgegevens aanwezig.

Wat zijn de regels?

3. De regels zijn opgenomen in de bijlage van deze uitspraak.

Uit rechtspraak van de hoogste bestuursrechter volgt dat diegene die stelt dat er nog meer persoonsgegevens moeten zijn, nadat door het bestuursorgaan onderzoek naar die persoonsgegevens is gedaan, en niet ongeloofwaardig heeft medegedeeld dat er niet meer persoonsgegevens zijn, aannemelijk dient te maken dat er meer persoonsgegevens zijn.

Wat stelt eiseres in beroep?

4. Verweerder heeft de e-mail van 22 december 2020 onterecht geïnterpreteerd als een herhaald verzoek. Met de e-mail heeft zij bezwaar willen maken tegen het besluit van 7 november 2019. Er is sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding.

Op basis van het door eiseres gestelde in bezwaar, is het aannemelijk dat er meer documenten zijn. Eiseres heeft stukken overlegd waaruit blijkt dat er meerdere gegevens door verweerder verwerkt zouden moeten zijn dan deze heeft opgegeven. De stelling dat verweerder niet meer gegevens heeft is ongeloofwaardig. Daarnaast is wel degelijk onderbouwd waarom deze stukken onder de reikwijdte van het AVG-verzoek vallen. Verweerder heeft niet toegelicht hoe (opnieuw) naar documenten is gezocht. Daar had in bezwaar onderzoek naar gedaan moeten worden. Nu dat is nagelaten, is het onderzoek onzorgvuldig geweest. Verweerder is niet op juiste wijze aan het verzoek van eiseres tegemoet gekomen en onthoudt eiseres onterecht de gevraagde gegevens.

Wat stelt verweerder in beroep?

5. Eiseres komt te laat met het beroep dat verweerder het herhaalde verzoek als een bezwaar had moeten opvatten. Dit raakt de goede procesorde. Daarnaast is onduidelijk welk resultaat hiermee beoogd wordt, aangezien volgens deze gedachtelijn het bezwaar tegen het besluit in primo en beroep tegen het bestreden niet had kunnen plaatsvinden. Verder is uitgebreid gezocht naar de documenten en kon verweerder in redelijkheid tot zijn beslissing op bezwaar komen.

Wat is het oordeel van de rechtbank?

6. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna zal worden toegelicht hoe de rechtbank tot deze conclusie komt en welke gevolgen dit heeft.

7. Betreffende de inhoud van het dossier Leerplichtambtenaar heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat meer documenten aanwezig zijn bij verweerder dan deze aan eiseres heeft verstrekt. In het bestreden besluit heeft verweerder terecht gesteld dat geen afschriften behoefden te worden verstrekt en dat volstaan kon worden met een overzicht met een omschrijving van het doel van de verwerking en de herkomst van de persoonsgegevens. |7.1 Verweerder heeft gemotiveerd hoe opnieuw naar de gevraagde gegevens onderzoek is gedaan en niet ongeloofwaardig gesteld dat er niet meer gegevens zijn. Volgens vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechter is het aan eiseres om aannemelijk te maken dat deze documenten er zijn. Verwijzingen naar namen, gesprekken en telefoonnotities acht de rechtbank niet voldoende om daadwerkelijk aannemelijk te maken dat meer persoonsgegevens aanwezig zijn dan verweerder heeft overlegd. Verweerder heeft aan het doel van artikel 15 van de AVG voldaan door eiseres op de hoogte te stellen van de bij hem over haar kinderen aanwezige persoonsgegevens en de verwerkingen van de persoonsgegevens. Hiermee is eiseres in staat gesteld om de juistheid van deze persoonsgegevens alsmede de rechtmatigheid van die verwerkingen te controleren en zo nodig verdere stappen op grond van de AVG of andere regelgeving te ondernemen. De beroepsgrond slaagt niet.

Ten aanzien van de beroepsgrond dat verweerder de e-mail van 22 december 2020 niet als een herhaald verzoek had moeten aanmerken, volgt de rechtbank eiseres. In de e-mail staat dat eiseres zich afvroeg hoe zij bezwaar kon maken tegen de brief van 8 oktober 2019. Daarom had verweerder eerst moeten onderzoeken of eiseres kan worden tegengeworpen dat zij niet tijdig bezwaar had gemaakt. Na de vaststelling dat het niet tijdig maken van bezwaar aan eiseres was te wijten, mocht verweerder ten aanzien van deze e-mail artikel 4:6 van de Awb toepassen. Materieel is eiseres door de aanpak van verweerder niet in haar belangen geschaad omdat verweerder, niet heeft volstaan met een verwijzing naar het eerdere besluit, maar ook een inhoudelijke beoordeling gegeven doordat naar aanleiding van de e-mail een nadere zoekslag is verricht. Naar aanleiding van deze zoekslag heeft een materiele heroverweging plaatsgevonden. Daarom ziet de rechtbank aanleiding het procedure gebrek in de besluitvorming te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond.

9. De rechtbank ziet in de toepassing van artikel 6:22 van de Awb wel aanleiding te bepalen dat verweerder aan eiseres de door haar gemaakte proceskosten moet vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.674,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 837,- en wegingsfactor 1). De rechtbank bepaalt tevens dat verweerder het griffierecht aan eiseres moet vergoeden.

Beslissing

De rechtbank

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, rechter, in aanwezigheid van

mr. T. Verschoor, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 6 januari 2023.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage

Algemene Verordening Gegevensbescherming

Artikel 4

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

Artikel 15 Recht van inzage van de betrokkene

1. De betrokkene heeft het recht om van de verwerkingsverantwoordelijke uitsluitsel te verkrijgen over het al dan niet verwerken van hem betreffende persoonsgegevens en, wanneer dat het geval is, om inzage te verkrijgen van die persoonsgegevens en van de volgende informatie:

a) de verwerkingsdoeleinden;

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 4:6

1. Indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, is de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden.

2. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.

Artikel 6:22

Een besluit waartegen bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld, kan, ondanks schending van een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, door het orgaan dat op het bezwaar of beroep beslist in stand worden gelaten indien aannemelijk is dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. G.P. Kleijn

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?