ECLI:NL:RBDHA:2023:4656

ECLI:NL:RBDHA:2023:4656, Rechtbank Den Haag, 04-04-2023, 22/4956

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 04-04-2023
Datum publicatie 18-04-2023
Zaaknummer 22/4956
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RVS:2025:3447
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005537

Samenvatting

Gevraagde toevoeging ziet op uitoefening toenmalig bedrijf, eiser komt in beginsel niet in aanmerking. Geen recente financiele stukken overgelegd, zodat niet aannemelijk is gemaakt dat voortbestaan onderneming van verzochte rechtsbijstand afhankelijk is.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 april 2023 in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser

de Raad voor Rechtsbijstand, verweerder

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 22/4956

en

(gemachtigde: mr. J. van Vlerken).

Procesverloop

Bij besluit van 17 maart 2022 (het primaire besluit) heeft verweerder een aanvraag voor een toevoeging aan eiser afgewezen.

Bij besluit van 25 mei 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft het beroep op 10 februari 2023 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Waar gaat deze zaak over?

1. Eiser heeft met zijn bedrijf ‘[bedrijfsnaam]’ juridische werkzaamheden voor een derde verricht. Hij kreeg een geschil over de betaling van deze werkzaamheden en heeft hierover een procedure gevoerd bij de rechtbank. Eiser is in hoger beroep gegaan tegen het vonnis van de rechtbank en zijn advocaat heeft een toevoeging aangevraagd voor rechtsbijstand in de hoger beroepsprocedure.

Het bestreden besluit

2. Verweerder vindt dat eiser geen recht heeft op een toevoeging omdat het in deze zaak om een belang gaat dat zijn oorsprong vindt in het bedrijfsmatig handelen van eiser. In dat geval verleent verweerder alleen een toevoeging als sprake is van een van de twee uitzonderingsgronden genoemd in artikel 12, tweede lid, onder e, van de Wrb. Volgens verweerder is geen van deze uitzonderingsgronden aan de orde.

Wat vinden partijen in beroep?

3. Eiser voert aan dat verweerder aan had moeten geven welke stukken hij nog wenste te ontvangen. Eiser beroept zich op onmacht, aangezien hij geen stukken heeft. Verder wijst eiser op het evenredigheidsbeginsel. Hij stelt dat verweerder zijn belang niet heeft meegewogen. Ten slotte wijst eiser erop dat zijn verletkosten niet zijn meegenomen.

4. Verweerder heeft op het beroep gereageerd.

Wat is het oordeel van de rechtbank?

Ontvankelijkheid

5. De rechtbank moet ambtshalve beoordelen of het beroep ontvankelijk is. Op grond van artikel 6:7 van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een beroepschrift zes weken. Verweerder heeft gesteld dat het bestreden besluit op 25 mei 2022 per post is verzonden naar het door eiser in zijn bezwaarschrift opgegeven adres. Eiser heeft betwist het besluit toen te hebben ontvangen. Het besluit is niet aangetekend verzonden en verweerder heeft ter zitting gesteld geen verzendadministratie bij te houden. Verweerder heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat het besluit op 25 mei 2022 is verzonden. Verweerder heeft op verzoek van eiser het bestreden besluit op 20 juli 2022 per email aan eiser toegezonden, zodat eiser met zijn beroepschrift van 11 augustus 2022 tijdig beroep heeft ingesteld en het beroep ontvankelijk is.

Uitzonderingsgronden

Op grond van artikel 12, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wrb wordt rechtsbijstand niet verleend indien het rechtsbelang waarop de aanvraag betrekking heeft, de uitoefening van een zelfstandig beroep of bedrijf betreft, tenzij:

1° voortzetting van het beroep of bedrijf voor zover het niet in de vorm van een rechtspersoon wordt gevoerd, afhankelijk is van het resultaat van de aangevraagde rechtsbijstand, of

2° het beroep of bedrijf ten minste één jaar geleden is beëindigd, de aanvrager in eerste aanleg als verweerder bij een procedure is betrokken of betrokken is geweest en de kosten van rechtsbijstand niet op andere wijze kunnen worden vergoed.

Nu de toevoeging die door eiser is aangevraagd ziet op de uitoefening van zijn toenmalig bedrijf, komt eiser in beginsel niet voor een toevoeging in aanmerking. Dit kan slechts anders zijn wanneer een van de hiervoor genoemde uitzonderingsgronden van toepassing is. Niet in geschil is dat de tweede uitzonderingsgrond in dit geval niet van toepassing is, omdat eiser de eisende partij was in het geschil in eerste aanleg. De rechtbank moet dan ook beoordelen of eiser zich op de eerste uitzonderingsgrond kan beroepen.

Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat eiser zich niet op de eerste uitzonderingsgrond kan beroepen, omdat ten tijde van het instellen van de hoger beroepsprocedure waarvoor de toevoeging is aangevraagd, de onderneming van eiser al beëindigd was. En dat eiser, ondanks een verzoek daartoe van verweerder, geen (recente) financiële stukken heeft overgelegd. Eiser heeft volgens verweerder dus niet aannemelijk gemaakt dat het voortbestaan van zijn onderneming afhankelijk is van de verzochte rechtsbijstand.

De rechtbank stelt voorop dat het, gelet op artikel 4:2, tweede lid, van de Awb, aan eiser is om zijn beroep op de uitzondering in artikel 12, eerste lid, aanhef en onder e, onderdeel 1, van de Wrb met gegevens en bescheiden te onderbouwen. Dit kan ook van eiser verwacht worden, nu het gaat om informatie over zijn eigen bedrijf en hij redelijkerwijs over deze informatie kan beschikken. Eiser heeft echter geen enkel stuk overgelegd over de financiële situatie waarin zijn bedrijf ten tijde van zijn aanvraag verkeerde. Verweerder heeft zich dus terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat het voortbestaan van zijn bedrijf afhankelijk is van het resultaat van de aangevraagde rechtsbijstand. De enkele stelling van eiser dat sprake is van onmacht omdat hij geen stukken heeft, ontslaat hem niet van de op hem rustende last. Dat eiser geen relevante financiële gegevens kan inleveren komt naar het oordeel van de rechtbank dan ook voor zijn rekening en risico. Eiser heeft aangevoerd dat verweerder aan had moeten geven welke stukken hij nog wenste, maar nu eiser meermaals heeft gesteld überhaupt geen stukken te hebben, komt de rechtbank aan dit betoog niet toe. Gelet op de jurisprudentie van de Afdeling ziet de rechtbank evenmin aanleiding voor het oordeel dat het recht van eiser op een effectief rechtsmiddel zou zijn geschonden, zoals hij ter zitting heeft aangevoerd.

Evenredigheid

7. Eiser heeft in bezwaar gesteld dat de menselijke maat geldt en daarbij gewezen op jurisprudentie van de Afdeling. In beroep heeft hij aangevoerd dat verzekeren als startende ondernemer niet lukt, bij gebrek aan voldoende werkkapitaal. Ter zitting heeft eiser erop gewezen dat hij zijn bedrijf heeft moeten beëindigen, omdat de factuur waarover hij bij de civiele rechter procedeerde niet was betaald. Dat eiser er belang bij heeft om zijn bedrijf voort te zetten en dat een startende ondernemer de nodige uitdagingen kent, begrijpt de rechtbank. Dit neemt niet weg dat, zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen, verweerder zich bij gebrek aan financiële gegevens terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat het voortbestaan van zijn bedrijf afhankelijk is van het resultaat van de verzochte rechtsbijstand. De rechtbank is met verweerder eens dat bij die stand van zaken aan een belangenafweging op grond van de evenredigheid niet wordt toegekomen.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling, waaronder verletkosten, zoals eiser ter zitting heeft gevraagd, bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W. Griffioen, rechter, in aanwezigheid van mr. B.D.A. Mantingh, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 4 april 2023.

de griffier is verhinderd te ondertekenen

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. C.W. Griffioen

Griffier

  • mr. B.D.A. Mantingh

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?