RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 22/7153
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. S. Karkache),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.
Procesverloop
Eiser heeft op 22 november 2022 beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 17 november 2022 waarbij het bezwaarschrift gegrond is verklaard, maar geen proceskosten zijn vergoed.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
Overwegingen
1. Iemand die beroep instelt moet op grond van artikel 8:41 van de Awb griffierecht betalen. In een zaak als deze bedraagt het griffierecht op grond van artikel 8:41, tweede lid, aanhef en onder b, van de Awb € 184. De griffier van de rechtbank stelt op grond van artikel 8:41, vijfde lid, van de Awb een termijn waarbinnen het griffierecht moet worden betaald. Als het griffierecht niet of niet tijdig wordt betaald, is het beroep op grond van artikel 8:41, zesde lid, van de Awb niet-ontvankelijk, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
2. Eiser heeft bij de indiening van zijn beroepschrift verzocht om vrijstelling van het griffierecht. Bij brieven van 28 november 2022 en 30 december 2022 heeft de griffier eiser verzocht om gegevens over te leggen waaruit de betalingsonmacht blijkt. Eiser heeft op deze verzoeken niet gereageerd. Bij brief van 16 januari 2023 heeft de rechtbank daarom het beroep op betalingsonmacht afgewezen.
3. De griffier heeft bij aangetekend verzonden brief van 16 februari 2023 eiser opnieuw in de gelegenheid gesteld het griffierecht te betalen binnen vier weken na de dagtekening van die brief en daarbij vermeld dat, indien het verschuldigde bedrag niet of niet tijdig wordt overgemaakt, hij het risico loopt dat zijn beroepschrift niet ontvankelijk wordt verklaard.
4. Het vermelde bedrag is niet binnen de gestelde termijn bijgeschreven of ter griffie gestort.
4. Eiser heeft geen reden gegeven voor dit verzuim. Er is dus geen verontschuldiging voor dit verzuim. Het beroep is daarom kennelijk niet-ontvankelijk.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Anker, rechter, in aanwezigheid van mr. S.S. van der Velde, griffier, op 23 maart 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij deze rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.