ECLI:NL:RBDHA:2023:524

ECLI:NL:RBDHA:2023:524, Rechtbank Den Haag, 16-01-2023, SGR 22/2909

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 16-01-2023
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer SGR 22/2909
Rechtsgebied Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 3 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005537

Samenvatting

Bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard. Verzending van primair besluit aannemelijk. Beroep kennelijk ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 januari 2023 in de zaak tussen

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 22/2909

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: voorheen [gemachtigde] ),

en

(gemachtigde: mr. C.L. Lina).

Procesverloop

In het besluit van 17 september 2021 (primair besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om Individuele Studietoeslag (IST) buiten behandeling gesteld.

In het besluit van 19 april 2022 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit niet-ontvankelijk verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Overwegingen

1. Eiser is vrijgesteld van het betalen van het griffierecht. Dat betekent dat eiser in deze procedure geen griffierecht hoeft te betalen.

2. Omdat het beroep kennelijk ongegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De rechtbank legt hierna uit waarom het beroep kennelijk ongegrond is.

3. Eiser heeft op 26 juli 2021 bij verweerder een aanvraag om Individuele Studietoeslag ingediend. Met het primaire besluit heeft verweerder deze aanvraag buiten behandeling gesteld omdat eiser de in de brief van 2 september 2021 gevraagde informatie niet zou hebben ingeleverd. Op 4 oktober 2021 heeft eiser voor het eerst bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. In de beslissing op bezwaar van 15 februari 2022 heeft verweerder dit bezwaar van eiser gegrond verklaard en bepaald dat de aanvraag van eiser alsnog in behandeling moet worden genomen. Op 28 maart 2022 heeft eiser online voor de tweede keer bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.

4. Verweerder heeft het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard omdat het bezwaar niet tijdig was ingediend. De rechtbank beoordeelt of verweerder het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

5. Voor het indienen van een bezwaarschrift geldt op grond van artikel 6:7 van de Awb een termijn van zes weken. Deze termijn begint op grond van artikel 6:8 van de Awb op de dag na de dag waarop het besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Dat is in dit soort gevallen de dag na de dag waarop het besluit is toegezonden. Een bezwaarschrift is op grond van artikel 6:9, eerste lid, van de Awb tijdig ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen. Als iemand een bezwaarschrift te laat indient, kan het bestuursorgaan het bezwaar niet-ontvankelijk verklaren. Dat is anders als het niet of niet tijdig indienen van het bezwaarschrift verontschuldigbaar is. Dan laat het bestuursorgaan op grond van artikel 6:11 van de Awb niet-ontvankelijkverklaring op grond van die te late indiening achterwege.

6. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder niet om informatie heeft gevraagd en het primaire besluit heeft genomen om dwangsommen te voorkomen. Daardoor handelt verweerder in strijd met het verbod van détournement de pouvoir en is er sprake van machtsmisbruik door verweerder. Verder moet verweerder bewijzen dat het primaire besluit is verzonden en had verweerder het besluit aangetekend moeten versturen. Dat het systeem zegt dat het besluit is verzonden, betekent niet dat eiser het heeft ontvangen.

De rechtbank overweegt allereerst dat artikel 3:41 van de Awb verweerder niet verplicht om het primaire besluit aangetekend te versturen. Verder is ook niet gebleken van afspraken tussen eiser en verweerder over het aangetekend sturen van besluiten.

Indien de geadresseerde, in dit geval eiser, stelt dat hij een niet-aangetekend verzonden besluit niet heeft ontvangen, is het in beginsel aan het bestuursorgaan om aannemelijk te maken dat het besluit wel op het adres van de geadresseerde is ontvangen. De omstandigheid dat per post verzonden stukken in de regel op het daarop vermelde adres van de geadresseerde worden bezorgd, rechtvaardigt evenwel het vermoeden van ontvangst van het besluit op dat adres. Dit brengt mee dat het bestuursorgaan in eerste instantie kan volstaan met het aannemelijk maken van verzending naar het juiste adres. Daartoe is in ieder geval vereist dat het besluit is voorzien van de juiste adressering en een verzenddatum en sprake is van een deugdelijke verzendadministratie. Voorts dient niet gebleken te zijn van recente problemen bij de verzending van poststukken.

Uit het bestreden besluit en de stukken blijkt dat verweerder de verzending van het primaire besluit als volgt heeft geregistreerd. Het primaire besluit is op 17 september 2021 in het computersysteem aangemaakt. Dat besluit is nog diezelfde dag in een batch geplaatst. Dit bestand bestond uit 460 documenten. Dit bestand is diezelfde dag geüpload naar en afgedrukt door het team print- en verzendservices van het Interne Diensten Centrum. Blijkens het aanbiedformulier van 17 september 2021 zijn 460 brieven voor acht uur ’s avonds ter verzending aan PostNL aangeboden. Het primaire besluit was juist geadresseerd.

Gelet op de stukken en de in het bestreden besluit gegeven toelichting, is voldoende aannemelijk dat het primaire besluit op 17 september 2021 is verzonden naar het adres van eiser. Het verzendsysteem zoals verweerder dat heeft uiteengezet, is door de Centrale Raad van Beroep in de uitspraak van 6 mei 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1483 geaccepteerd als systeem waarmee aannemelijk is gemaakt dat stukken daadwerkelijk zijn verzonden. Niet is gebleken dat dit systeem sindsdien is gewijzigd of dat er ten tijde van het verzenden van het primaire besluit sprake was van problemen bij de verzending van poststukken.

Nu verweerder de verzending van het primaire besluit aannemelijk heeft gemaakt, ligt het op de weg van eiser voormeld vermoeden van ontvangst te ontzenuwen. De enkele ontkenning van eiser dat hij het primaire besluit heeft ontvangen, is daartoe onvoldoende. De betwisting van de ontvangst van het primaire besluit door eiser strookt overigens ook niet met het feit dat hij daar op 4 oktober 2021 bezwaar tegen heeft gemaakt.

7. Gelet op het hiervoor overwogene kan als vaststaand worden aangenomen dat de termijn voor het instellen van bezwaar is aangevangen op 18 september 2021, zodat het bezwaarschrift van 28 maart 2022 te laat is ingediend. In wat eiser heeft aangevoerd is geen grond gelegen voor het oordeel dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is als bedoeld in artikel 6:11 van de Awb. Dit betekent dat verweerder het tweede bezwaar tegen het primaire besluit op goede gronden niet-ontvankelijk heeft verklaard. Daarbij komt dat verweerder in zijn verweerschrift terecht opmerkt dat het systeem van de Awb eraan in de weg staat om tweemaal te beslissen op een bezwaar tegen hetzelfde besluit. Ook om die reden zou het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk zijn.

8. Niet is gebleken dat verweerder heeft gehandeld in strijd met het verbod van détournement de pouvoir. Anders gezegd is niet gebleken dat verweerder een bevoegdheid heeft aangewend voor een ander doel dan waarvoor die bevoegdheid is gegeven. Evenmin is gebleken van machtsmisbruik door verweerder. De rechtbank verwijst daarvoor naar haar overwegingen in de samenhangende zaak met nummer SGR 22/2912. Dit betoog van eiser slaagt daarom evenmin.

9. Verweerder heeft terecht het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is daarom kennelijk ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.R. van der Meer, rechter, in aanwezigheid van mr. D.W.A. van Weert, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2023.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. D.R. van der Meer

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?