ECLI:NL:RBDHA:2023:5993

ECLI:NL:RBDHA:2023:5993, Rechtbank Den Haag, 19-04-2023, NL23.10513

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 19-04-2023
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer NL23.10513
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Middelburg
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RVS:2023:1968
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 1 zaken
Aangehaald door 2 zaken
3 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005075 BWBR0005537 BWBR0011823

Samenvatting

bewaring, Marokkaanse, lichter middel, zicht op uitzetting, ongegrond

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

[naam], eiser V-nummer: [nummer]

Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL23.10513

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

(gemachtigde: mr. M.H.K. van Middelkoop),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. R.P.G. van Bel).

Procesverloop

Bij besluit van 4 april 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep op 12 april 2023 op zitting behandeld in Breda. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen A. Khabote.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Marokkaanse nationaliteit te hebben.

Maatregel van bewaring

2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat deze nodig is in het belang van de openbare orde, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Als zware gronden1 vermeldt de maatregel dat eiser:

3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;

1. Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).

3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;

3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;

3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;

En als lichte gronden2 vermeldt de maatregel dat eiser:

4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;

4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;

4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.

3. Ter zitting heeft verweerder de lichte grond 4e laten vallen, zodat deze niet langer aan de maatregel van bewaring ten grondslag ligt.

4. Ten aanzien van de zware grond 3i voert eiser aan dat hij wel degelijk wil meewerken aan zijn terugkeer naar Marokko. Tijdens het gehoor voorafgaand aan zijn inbewaringstelling heeft eiser verklaard dat hij daarom een gesprek wil met de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM). Ook heeft hij verklaard dat hij 500 euro heeft bewaard bij een vriend in Groningen om te reizen en Nederland te verlaten. Eiser stelt daarom dat er, ondanks dat de andere gronden niet worden betwist, geen sprake is van onttrekkingsgevaar.

5. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht de zware grond 3i aan de maatregel van bewaring ten grondslag gelegd. Blijkens het vertrekgesprek met

de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) van 7 april 2023 is aan eiser meegedeeld dat hij de afgifte van een laissez-passer (lp) kan versnellen door zelf contact op te nemen met de Marokkaanse autoriteiten. Eiser heeft daarop geantwoord dat het niet hoeft en dat dit het werk is van de regievoerder. Verder neemt de rechtbank in aanmerking dat eiser ook al in het vertrekgesprek van 6 maart 2023 heeft verklaard dat hij niks heeft ondernomen om zijn terugkeer naar Marokko te realiseren, omdat hij terug wilt naar Spanje. Tevens wijst verweerder er verder terecht op dat eiser geen gevolg heeft gegeven aan zijn verplichting tot terugkeer die volgt uit het terugkeerbesluit van 2 november 2019. Verweerder heeft daaruit kunnen concluderen dat eiser nog altijd niet bereid is mee te werken aan zijn terugkeer naar Marokko. Het enkele feit dat eiser nu voorafgaand aan zijn inbewaringstelling heeft verklaard in gesprek te willen met IOM betekent, tegen de achtergrond van eisers eerdere opstelling, niet dat verweerder er zonder meer vanuit moet gaan dat eiser vrijwillig wil terugkeren. De overige zware en lichte gronden betwist eiser niet. De gronden zijn feitelijk juist en voldoende om aan te nemen dat een risico op onttrekking bestaat. Deze kunnen de maatregel van bewaring dan ook dragen.

2 Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.

Lichter middel

6. Eiser voert verder aan dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel. Verweerder is ten onrechte niet ingegaan op eisers verklaringen dat hij psychische klachten heeft en depressief is, waardoor er sprake is van een motiveringsgebrek.

7. De rechtbank is echter van oordeel dat verweerder niet gehouden was met een lichter middel te volstaan. Verweerder heeft in de maatregel voldoende gemotiveerd waarom in het geval van eiser een lichter middel dan bewaring niet doeltreffend kan worden toegepast. Hij heeft daartoe in de eerste plaats kunnen verwijzen naar de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, waaruit volgt dat sprake is van een risico op onttrekking aan het toezicht. In dat verband is van belang dat eiser tot nu toe niet heeft meegewerkt aan zijn verplichting om terug te keren naar Marokko. Verweerder heeft voorts ter zitting voldoende toegelicht dat ook de gestelde psychische klachten van eiser niet maken dat de bewaring onredelijk bezwarend is. Zoals in de maatregel zelf al is opgemerkt. zijn de medische voorzieningen die eiser in het detentiecentrum ter beschikking staan gelijk aan de voorzieningen in de vrije maatschappij. Bovendien is niet gebleken dat eiser detentieongeschikt is. In wat eiser aanvoert ziet de rechtbank dus geen aanleiding voor het oordeel dat de bewaring onevenredig bezwarend is. De beroepsgrond slaagt niet.

Zicht op uitzetting

8. Tot slot voert eiser aan dat er geen zicht is op uitzetting naar Marokko binnen een redelijke termijn. Eiser is op 21 maart 2023 gepresenteerd aan de Marokkaanse autoriteiten waarbij zijn identiteit en nationaliteit zijn vastgesteld. Omdat er inmiddels al bijna een maand voorbij is sinds eiser is gepresenteerd, kan er niet langer van worden uitgegaan dat de Marokkaanse autoriteiten daadwerkelijk een lp voor de gedwongen terugkeer van eiser zullen afgeven.

9. De rechtbank stelt vast dat in zijn algemeenheid kan worden uitgegaan van zicht op uitzetting in het geval van Marokko. De rechtbank vindt hiervoor steun in de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 14 november 20223 en 2 februari 2023.4 Eiser heeft geen concrete aanknopingspunten gegeven voor het oordeel dat niet langer sprake is van zicht op uitzetting. De enkele omstandigheid dat de Marokkaanse autoriteiten niet direct zijn overgegaan tot het afgeven van een lp, is daarvoor in dit stadium onvoldoende. Bovendien is niet gebleken dat de Marokkaanse autoriteiten aan eiser geen lp zullen verstrekken. De beroepsgrond van eiser slaagt dan ook niet.

Ambtshalve toets

10. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen.5 Ook met inachtneming van deze verplichting ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de

3 ECLI:NL:RVS:2022:3269.

4 ECLI:NL:RVS:2023:438.

5 Zie de gevoegde zaken C704/20 en C39/21, ECLI:EU:C:2022:489 en ECLI:EU:C:2022:858.

maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.

Conclusie

11. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Anker, rechter, in aanwezigheid van mr. Ż.A. Meinert, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Documentcode: DSR26046518

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?