RECHTBANK DEN HAAG
[eiser] , eiser
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL23.8274
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. L.J. Blijdorp), en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. S.H.F. Pols).
Procesverloop
Bij besluit van 13 maart 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Polen verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep, samen met de zaak NL23.8275, op 11 april 2023 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening) is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Polen een verzoek om terugname gedaan. Polen heeft dit verzoek aanvaard.
2. Eiser voert aan dat ten aanzien van Polen niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. De opvang en de asielprocedure in Polen voldoen niet aan de Europese richtlijnen. Dit blijkt uit het AIDA-rapport van Polen, update 2021. Eiser wijst hierbij in het bijzonder op de detentie van asielzoekers en op structurele pushbacks door de Poolse autoriteiten. Verder verwijst eiser naar de uitspraak van deze
rechtbank, zittingsplaats Den Bosch van 15 juni 20221, waar vragen zijn gesteld over de ondeelbaarheid van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Polen. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft in de brief van 17 januari 2023 opgemerkt dat de behandeling van het hoger beroep zal worden aangehouden in afwachting van het antwoord van het Hof van Justitie van de Europese Unie (EU) op de prejudiciële vragen. In verschillende rechtbankuitspraken2 is een voorlopige voorziening toegewezen. Eiser verzoekt daarom om aanhouding van zijn beroep.
3. De rechtbank overweegt als volgt. Het algemene uitgangspunt is dat verweerder er op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel vanuit mag gaan dat Polen zijn verdragsverplichtingen ten aanzien van eiser nakomt. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat dit in zijn geval anders is. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser hier niet in geslaagd. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.
4. Deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, heeft in de uitspraak van de meervoudige kamer van 2 juni 20223 geoordeeld dat niet aannemelijk is gemaakt, en ook op andere wijze niet is gebleken, dat Polen zich – afgezien van de pushbacks aan de buitengrenzen – op dit moment niet houdt aan de bepalingen van het EU-asielrecht en de waarborgen die daaruit voortvloeien. Dit is ook geoordeeld in de uitspraak van de meervoudige kamer van diezelfde zittingsplaats van 1 juli 20224. In deze uitspraken zijn het AIDA-landenrapport van Polen, update 2020, en de 'veelgestelde vragen over Polen Dublinterugkeerders’ van VluchtelingenWerk Nederland van 20 juli 2021 in de beoordeling meegenomen. De rechtbank ziet geen aanleiding om in deze zaak hierover anders te oordelen. Het AIDA- rapport van Polen, update 2021, waarnaar eiser heeft verwezen, geeft naar het oordeel van de rechtbank geen wezenlijk ander beeld dan het AIDA-rapport van Polen, update 2020. Eiser heeft ook niet benoemd wat er anders zou zijn in het nieuwe AIDA-rapport.
5. Eiser heeft verder geen informatie overgelegd waaruit blijkt dat Dublinterugkeerders zoals hij zonder meer en systematisch in detentie worden geplaatst. Bovendien kan eiser, indien hij in dit kader problemen ervaart, zich beklagen bij de daartoe geëigende instanties, dan wel bij de hogere autoriteiten. Er is niet gebleken dat die mogelijkheid voor eiser niet bestaat. Eiser heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat hij als Dublinterugkeerder een risico loopt op een pushback. De rechtbank ziet daarom in de verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Den Bosch, van 15 juni 2022 en de aangehaalde brief van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, geen aanleiding om deze beroepszaak aan te houden. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie
6. Het beroep is ongegrond.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
1. ECLI:NL:RBDHA:2022:5724.
2 rechtbank Den Bosch, 16 maart 2023, NL23.5028 (niet gepubliceerd), rechtbank Den Bosch, 16 maart 2023, 23.5028 (niet gepubliceerd), rechtbank Amsterdam, 15 maart 2023, 23.6220 (niet gepubliceerd).
3 ECLI:NL:RBDHA:2022:5327.
4 ECLI:NL:RBDHA:2022:6488.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J. Valk, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
14 april 2023
Documentcode: [documentcode]
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.