RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser,
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.12075
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. R. Deniz),
en
(gemachtigde: mr. R. Hopman).
Procesverloop
Bij besluit van 19 april 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 26 april 2023 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen A. Khabote. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 1999 en de Marokkaanse nationaliteit te hebben.
2. De rechtbank stelt allereerst vast dat de grondslag van de maatregel van bewaring en de daaraan ten grondslag gelegde zware en lichte gronden niet zijn bestreden in beroep. Ook ambtshalve is de rechtbank niet gebleken dat deze onjuist zijn en leiden tot onrechtmatigheid van de maatregel. Dit maakt dat een risico op onttrekking aan het toezicht is gegeven.
3. Eiser voert aan dat de ophouding te lang heeft geduurd. De termijn van zes uur is overschreden en dit maakt de maatregel onrechtmatig.
4. Op grond van artikel 50, tweede en derde lid, van de Vw mag een vreemdeling niet langer dan zes uren worden opgehouden. De ophouding van eiser is aangevangen op 19 april 2023 om 11:30 uur en de maatregel van bewaring is opgelegd op 19 april 2023 om 17:52 uur. Niet in geschil is dat de ophouding met 22 minuten is overschreden.
De rechtbank constateert dat hiermee sprake is van een gebrek in het voortraject. Een dergelijk gebrek maakt de bewaring echter pas onrechtmatig als de daarmee gediende belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen. De te maken belangenafweging valt in het voordeel van verweerder uit. Gelet op het onttrekkingsrisico, weegt het belang van verweerder om eiser in bewaring te stellen zwaarder dan het belang van eiser om zijn uitzetting in vrijheid af te wachten. Daarbij is verder van belang dat de ophouding als zodanig wel op de juiste grondslag heeft plaatsgevonden. Ook is al aangevangen met het gehoor vóór het verstrijken van de termijn van ophouding, namelijk om 15:55 uur.
5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
6. Als gevolg van het geconstateerde gebrek veroordeelt de rechtbank verweerder wel in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.674 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 837 en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.674.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.