RECHTBANK DEN HAAG
[eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer]
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL23.12352
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
(gemachtigde: mr. H.G.A.M. Halfers),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: J.C. van Ossenbruggen-Theodoulou).
Procesverloop
Bij besluit van 21 april 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 1 mei 2023 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen K.M. Bijas. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Eiser heeft ter zitting verklaard dat hij niet in beroep wil gaan, maar terug naar Polen. Nadat de gemachtigde van eiser hem heeft voorgehouden dat hij mogelijk aanspraak maakt op een schadevergoeding, heeft eiser verklaard het beroep toch te willen handhaven voor deze schadevergoeding. De rechtbank is dus bevoegd om dit beroep te behandelen.
Overwegingen
1. Eiser stelt dat hij de Poolse nationaliteit heeft en dat hij is geboren op [geboortedatum] 1989.
2. Eiser voert aan dat in de JDD-documentatie van 24 april 2023 onder parketnummer [parketnummer] een winkeldiefstal staat vermeld met als status “Gedagvaard”. Eiser verklaart dat de terechtzitting in deze zaak wordt gehouden in Dordrecht, op 31 mei 2023. Eiser stelt dat in het dossier geen toestemming is opgenomen van het Openbaar Ministerie (OM) voor de uitzetting.
3. Verweerder heeft dit niet weersproken en zich op het standpunt gesteld dat er geen straf is opgelegd, dus dat toestemming van het OM voor de uitzetting niet aan de orde is.
4. In paragraaf A3/6.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) is – kort weergegeven - vermeld dat geen uitzetting van vreemdelingen plaatsvindt ondanks het feit dat de vertrekplicht van kracht is als de vreemdeling als verdachte van een strafbaar feit is aangehouden en het strafonderzoek niet door het OM is beëindigd, tenzij het OM akkoord gaat met de uitzetting.
5. De rechtbank stelt vast dat uit het dossier en het verhandelde ter zitting niet blijkt dat verweerder contact heeft gelegd met het OM over de overdracht van eiser. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 12 februari 2021i en is van oordeel dat, nu uit het dossier niet blijkt dat het OM op de hoogte is gesteld van de voorgenomen uitzetting, verweerder zonder andersluidend bericht er niet van uit heeft mogen gaan dat het OM geen bezwaar heeft tegen de voorgenomen uitzetting. Het is de verantwoordelijkheid van verweerder om vóór oplegging van de maatregel van bewaring na te gaan of het OM bezwaren tegen de maatregel had. Gelet op het bepaalde in paragraaf A3/6.3 van de Vc is de rechtbank van oordeel dat de uitzetting van eiser ten tijde van de oplegging van de maatregel niet kon plaatsvinden en dat er op dat moment daarom geen zicht op uitzetting bestond. Deze beroepsgrond slaagt.
6. Gelet op het voorgaande behoeven de andere beroepsgronden geen bespreking meer.
7. Het beroep is gegrond en de maatregel van bewaring is vanaf het moment van opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 2 mei 2023.
8. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van bewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 12 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel van 1 x € 130,- (verblijf politiecel) en 11 x € 100,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.230,-.
9. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.674,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van
€ 837,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. van Veen, rechter, in aanwezigheid van mr. P. Bruins, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
02 mei 2023
Documentcode: [documentcode]
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
i ECLI:NL:RVS:2021:293