RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 mei 2023 in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, verweerder
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 22/8116
(gemachtigde: mr. A.G. Kleijweg),
en
(gemachtigde: : mr. G.J.M. Naber).
Procesverloop
Op 4 juli 2022 heeft eiser een kennisgeving inburgeringstermijn van verweerder ontvangen.
Eiser heeft op 10 oktober 2022 bezwaar gemaakt tegen deze kennisgeving.
Verweerder heeft met het besluit van 29 november 2022 het bezwaar van eiser niet ontvankelijk verklaard. Eiser is in beroep gegaan. Eiser heeft op 7 en 9 april 2023 aanvullende beroepsgronden ingediend.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 11 april 2023 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.
Overwegingen
Waar gaat de zaak over?
1. Deze zaak gaat over de vraag of de kennisgeving aanvang inburgeringstermijn van 4 juli 2022 een appellabel besluit is in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2. Eiser heeft de Turkse nationaliteit. Op 13 augustus 2021 heeft [naam] (referente) een aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor eiser ingediend. Per brief van 5 november 2021 heeft de IND laten weten dat de Nederlandse vertegenwoordiging in Istanbul de mvv aan eiser mag afgeven. Op 2 december 2021 had eiser de afspraak bij de Nederlandse vertegenwoordiging in Istanbul voor het plaatsen van de mvv sticker in zijn paspoort. Eiser heeft op 17 januari 2022 de verblijfsvergunning in Nederland opgehaald.
3. Op 2 maart 2022 heeft eiser een kennisgeving inburgeringsplicht van verweerder ontvangen. Op 4 juli 2022 heeft eiser een kennisgeving inburgeringstermijn ontvangen waarin staat per wanneer de inburgering aanvangt. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de brief van 4 juli 2022. Verweerder heeft dit bezwaar niet ontvankelijk verklaard omdat er volgens verweerder geen sprake is van een appellabel besluit.
Wat vindt eiser?
4. Eiser vindt dat verweerder de kennisgeving aanvang inburgeringstermijn van 4 juli 2022 onterecht niet heeft aangemerkt als een besluit in de zin van de Awb.
Eiser voert verder nog het volgende aan. Verweerder gaat onterecht uit van de nieuwe inburgeringswet, die pas op 1 januari 2022 inwerking is getreden. De datum waarop eiser zijn verblijfsrecht heeft verkregen ligt vóór 1 januari 2022. De beschikking waarin staat dat eiser een mvv krijgt dateert van 5 november 2021. Op pagina 3 van de beschikking staat dat dat de verblijfsvergunning ingaat op de dag nadat de mvv is opgehaald. Eiser had al op 3 december 2021 rechtmatig verblijf in Nederland. Alleen de uitreiking van het fysieke verblijfsdocument vond plaats op 17 januari 2022, dat is echter niet de datum van verkrijging van het verblijfsrecht. Voor zover verweerder van oordeel is dat geen rechtsmiddel kan worden ingesteld, betekent dit dat verweerder naar believen kan stellen dat iemand inburgeringsplichtig is of niet. Hiermee wordt inbreuk gemaakt op de door het EVRM en het Handvest voor de EU gegarandeerde eerlijke procedure en de verplichting om een besluit te baseren op een juiste toetsing van de casus aan de toepasselijke rechtsregels. Ook staat het verweerder op grond van het Turks Associatieverdrag niet vrij om nieuwe belemmeringen te stellen aan Turkse staatsburgers.
Wat vindt verweerder?
5. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de kennisgeving inburgeringstermijn geen appellabel besluit is in de zin van de Awb. Het is voor eiser dan ook niet mogelijk om bezwaar te maken tegen de kennisgeving. Verweerder heeft eiser daarom terecht niet ontvankelijk verklaard. Ter zitting heeft eiser daaraan nog toegevoegd dat voor zover het wel zou gaan om een appellabel besluit eiser niet ontvankelijk is vanwege het overschrijden van de beroepstermijn.
Ten overvloede heeft verweerder toegelicht waarom zij vindt dat de nieuwe Wi 2021 op eiser van toepassing is. Uit artikel 3 Wi 2013 en artikel 3 Wi 2021 volgt dat de inburgeringsplicht van rechtswege ontstaat op het moment dat iemand verblijfsrecht verkrijgt. Uit het overgangsrecht (artikel 54 van de Wi 2021) volgt dat iedereen die op 31 december 2021 inburgeringsplichtig was op grond van de Wi 2013 onder deze wet blijft vallen. Het moment van verkrijgen van verblijfsrecht bepaalt dus onder welk regime iemand valt: de Wi 2013 of de Wi 2021. Uit de artikelen 3:40 en 3:41 Awb volgt dat een besluit pas in werking treedt op het moment dat het bekend is gemaakt. Uit artikel 3.104 Vreemdelingenbesluit volgt dat de beschikking waarin het verblijfsrecht wordt toegekend bekend wordt gemaakt bij uitreiking of verzending van het verblijfsdocument. Eiser heeft het verblijfsdocument op 17 januari 2022 opgehaald waardoor verweerder mocht uitgaan van de Wi 2021.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
6. Op grond van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder een besluit verstaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publieksrechtelijke rechtshandeling. Van een rechtshandeling in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb is sprake indien er een verandering optreedt in iemands bestaande rechten, verplichtingen of bevoegdheden of wanneer het bestaan van rechten, verplichtingen, bevoegdheden bindend wordt vastgesteld.
In de kennisgeving van 4 juli 2022 wordt, kort gezegd, informatie gegeven over de aanvang en de einddatum van de inburgeringstermijn. De inburgeringstermijn vloeit rechtstreeks voort uit artikel 3 van de Wi 2021. Uit het overgangsrecht opgenomen in de Wi 2021 vloeit voort welke inburgeringsregels op eiser van toepassing zijn. De brief van 4 juli 2022 verandert daarin niets. Er is geen sprake van een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, en de brief is niet op een rechtsgevolg gericht. De brief roept voor eiser geen nieuwe verplichtingen in het leven. De brief is dan ook geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Tegen de brief van 4 juli 2022 staat daarom geen bezwaar en beroep open. Verweerder heeft het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.H. van der Poort-Schoenmakers, rechter, in aanwezigheid van mr. M.H.T. van Bruggen, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2023.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een hogerberoepschrift. U moet dit hogerberoepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.