ECLI:NL:RBDHA:2023:8767

ECLI:NL:RBDHA:2023:8767, Rechtbank Den Haag, 22-06-2023, 19/2442

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 22-06-2023
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 19/2442
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RVS:2024:4567
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 2 zaken
3 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005537 CELEX:32016R0679 EU:32016R0679

Samenvatting

opeisen dwangsom na uitblijven besluit op verzoek op grond van de Algemene verordening gegevensbescherming

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 juni 2023 in de zaak tussen

[eiseres], zonder vaste woon- of verblijfplaats, eiseres

burgemeester en wethouders van Westland

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 19/2442

(gemachtigde: mr. J.F.R. Eisenberger),

en

(gemachtigde: mr. G.G.E.A. Frederix-Gianotten).

Procesverloop

Eiseres heeft op 30 juli 2018 bij verweerder een inzageverzoek gedaan op grond van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG).

Verweerder heeft eiseres bij besluit van 26 september 2018 laten weten het verzoek niet in behandeling te nemen.

Eiseres heeft verweerder op 25 september 2018 en 4 oktober 2018 in gebreke gesteld vanwege het uitblijven van een beslissing op haar verzoek.

Verweerder heeft eiseres bij besluit van 3 januari 2019 (het bestreden besluit) laten weten dat van een termijnoverschrijding geen sprake is en dat er daarom geen dwangsommen zijn verbeurd.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt. De rechtbank is akkoord gegaan met het verzoek van partijen om het bezwaar van eiseres te beoordelen in een rechtstreeks beroep als bedoeld in artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

De procedure is (mede op verzoek van partijen) lange tijd aangehouden.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend op 1 juni 2023.

Eiseres heeft nadere gronden ingediend op 1 juni 2023.

De rechtbank heeft het beroep op 13 juni 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, [naam] en namens verweerder de gemachtigde van verweerder en mr. S. de Boer.

Overwegingen

Waar gaat deze zaak over?

1. Deze zaak gaat over de vraag of verweerder niet tijdig heeft beslist op het verzoek van 30 juli 2018 en daarom aan eiseres een dwangsom wegens niet tijdig beslissen is verschuldigd. Eiseres was tot 20 december 2017 in dienst bij de gemeente Westland.

Zij heeft per brief van 30 juli 2018 bij verweerder een inzageverzoek ik het kader van de AVG ingediend.

2. Verweerder heeft bij e-mail van 1 augustus 2018 laten weten dat conform de AVG eerst de identiteit van eiseres vastgesteld dient te worden. Vervolgens zijn er verschillende e-mails tussen eiseres en verweerder gewisseld waarin eiseres aangaf het niet eens te zijn met de identificatieplicht en verweerder daar wel aan vast hield. Omdat eiseres niet voldaan heeft aan de identificatieplicht heeft verweerder het inzageverzoek van eiseres bij besluit van 26 september 2018 buiten behandeling gesteld.

Eiseres heeft verweerder per brieven van 25 september 2018 en op 4 oktober 2018 in gebreke gesteld omdat verweerder nog niet had beslist op haar inzageverzoek.

Per brief van 18 december 2018 heeft eiseres een dwangsom van € 1260,- van verweerder geëist.

In het bestreden besluit van 3 januari 2019 heeft verweerder eiseres laten weten dat van een termijnoverschrijding geen sprake is en dat er geen dwangsommen zijn verbeurd omdat er tijdig is beslist.

Wat vindt eiseres in beroep?

3. Eiseres is van mening dat verweerder haar overvraagt heeft met de identificatieplicht. Verweerder is dan ook in gebreke gebleven te beslissen op haar inzageverzoek. Pas op 7 januari 2019 heeft verweerder zeer gebrekkig documenten aan eiseres ter beschikking gesteld. Omdat verweerder te laat was met beslissen en eiseres verweerder in gebreke gesteld heeft, heeft verweerder de maximale dwangsom verbeurd.

Wat vindt verweerder in beroep?

4. Verweerder is van mening dat het betoog van eiseres niet kan slagen omdat verweerder op 26 september 2018 een besluit heeft genomen en er geen termijnoverschrijding is. De ingebrekestelling en de brief van 26 september 2018 hebben elkaar gekruist. Verweerder heeft verder verwezen naar de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 8 april 2021, SGR 16/6691 (de rechtbank gaat er van uit dat bedoeld is zaaknummer 19/6691) en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 24 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2004 waarin het beroep van eiseres is afgewezen.

Wat is het oordeel van de rechtbank?

5. In deze zaak gaat het alleen om de vraag of verweerder in het bestreden besluit terecht geoordeeld heeft dat er geen dwangsommen verbeurd zijn.

De rechtbank stelt vast dat er is beslist op het AVG-verzoek op 25 september 2018, door middel van een buitenbehandelingstelling. Eiseres ontkent de ontvangst van dit besluit niet. Indien zij het niet met dit besluit eens was had het op haar weg gelegen bezwaar te maken. Dit kan eiseres niet oplossen door verweerder in gebreke te stellen. Omdat er is beslist op het verzoek van eiseres is verweerder geen dwangsommen verschuldigd.

De rechtbank wijst er verder op dat bij brief van 7 januari 2019 alsnog inhoudelijk door verweerder is gereageerd op het inzageverzoek en verwijst naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 24 mei 2023.

Conclusie

6. Het beroep is ongegrond

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.H. van der Poort-Schoenmakers, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Badermann, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 juni 2023.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. A.M.H. van der Poort-Schoenmakers

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?