[naam] , eiser
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. M.R. Verdoner),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de staatssecretaris
(gemachtigde: mr. N. Mikolajczyk).
Inleiding
1. De rechtbank beoordeelt in deze zaak het beroep van eiser tegen de buiten behandelingstelling van zijn asielaanvraag. Bij besluit van 11 mei 2023 (het bestreden besluit) heeft de staatssecretaris de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat België verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep, tezamen met het verzoek om een voorlopige voorziening met zaaknummer NL23.14437, op 16 juni 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de staatssecretaris. Eiser zelf was niet aanwezig.
Totstandkoming van het besluit
Besluit de staatssecretaris
2. De staatssecretaris heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid van de Vw. Daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van de Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij België een verzoek om terugname gedaan. België heeft dit verzoek aanvaard.
Wat stelt eiser in beroep?
3. Eiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] en heeft op 21 februari 2023 een asielaanvraag ingediend. Eiser voert aan dat in zijn geval voor België niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Hij verwijst hierbij onder meer naar een aantal door het EHRM getroffen interim measures, waaruit moet worden geconcludeerd dat de Belgische opvang onder grote druk staat. Eiser stelt dat de staatssecretaris op basis van de schriftelijke informatie van de Belgische autoriteiten ten onrechte heeft geconcludeerd dat de tekortkomingen in de opvang in België de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid niet bereiken. De mededeling van de Belgische autoriteiten dat er nog altijd meer opvangplekken worden gerealiseerd is een onzekere toekomstige gebeurtenis waar volgens eiser op dit moment geen rekening mee kan worden gehouden. Opvang is alleen gegarandeerd voor kwetsbare groepen. Vreemdelingen zoals eiser, die niet onder deze kwetsbare groepen vallen, worden op een wachtlijst voor opvang geplaatst. De staatssecretaris heeft zich er ten onrechte niet van vergewist of eiser na overdracht aan België in aanmerking komt voor opvang. Als eiser op straat zou komen te staan, zou dit consequenties kunnen hebben voor de inhoudelijke behandeling van zijn asielaanvraag. Eiser kan niet worden verweten dat hij zich niet heeft gemeld bij de Belgische autoriteiten toen hij na overdracht vanuit Nederland na anderhalve dag België heeft verlaten. Het is een feit van algemene bekendheid dat er geen opvang is in België voor vreemdelingen zoals eiser en melden had op dat moment geen zin. Voorts voert eiser aan dat ervan uit moet worden gegaan dat de Belgische autoriteiten niet bereid zijn om eiser te beschermen tegen de druk van zijn familie, de kring van criminele organisaties rondom zijn familie of tegen wraakacties als eiser zich tot de Belgische autoriteiten zou wenden. Eiser stelt dat het bij voorbaat zinloos is om zich te wenden tot de (hogere) autoriteiten van België. De staatssecretaris had gelet op het voorgaande aanleiding moeten zien om eisers asielaanvraag aan zich te trekken op grond van artikel 17 van de Dublinverordening.
Beoordeling door de rechtbank
4. De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit in stand kan blijven. Hierna legt de rechtbank, aan de hand van de beroepsgronden van eiser, uit hoe zij tot dat oordeel is gekomen.
Opvang België
5. Niet in geschil is dat de opvang van volwassen alleenstaande mannelijke asielzoekers in België onder druk staat.
In de uitspraak van 20 februari 2023, zittingsplaats Rotterdam, heeft de rechtbank -samengevat – geoordeeld dat de staatssecretaris, vanwege de door het EHRM getroffen interim measures in verband met het gebrek aan opvang, nader moet motiveren waarom nog steeds van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van België kan worden uitgegaan. De staatssecretaris heeft naar aanleiding van deze uitspraak informatie opgevraagd bij de Belgische autoriteiten. Uit die informatie volgt dat families, kinderen, vrouwen en andere kwetsbare personen na hun verzoek om internationale bescherming onmiddellijk een opvangplaats krijgen toegewezen. Deze toezegging geldt niet voor alleenstaande, meerderjarige mannen zoals eiser. Zij worden, na registratie, op een wachtlijst geplaatst. Deze groep heeft wel toegang tot de medische zorg. Verder is er via diverse Ngo’s toegang tot noodopvang waar wordt voorzien in onderdak, voeding, sanitaire voorzieningen, kleding en sociale basisondersteuning. Ook zijn er noodopvangcentra georganiseerd door Fedasil, het agentschap dat in België verantwoordelijk is voor de opvang van asielzoekers. Personen op de wachtlijst ontvangen een lijst met hulpinitiatieven waar zij een beroep op kunnen doen. De staatssecretaris stelt zich op het standpunt dat, hoewel de situatie voor deze groep minder gunstig is dan voor degenen die onmiddellijk een opvangplaats krijgen toegewezen, uit de brieven van de Belgische autoriteiten niet blijkt dat hun situatie van dien aard is dat in België sprake is van tekortkomingen die de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken als bedoeld in het arrest Jawo van het Hof van Justitie van de EU en dus ook niet dat hun overdracht, en daarmee de overdracht van eiser, in strijd zal zijn met artikel 3 EVRM of artikel 4 Handvest.
Uit het arrest Jawo volgt dat bij de beoordeling welke lidstaat op grond van de toepasselijke criteria in de Dublinverordening verantwoordelijk is voor behandeling van een door een vreemdeling bij een van de lidstaten ingediend asielverzoek, de staatssecretaris uit mag gaan van het vermoeden dat de behandeling van een vreemdeling in de aangezochte lidstaat in overeenstemming is met de bepalingen van het Handvest, het Vluchtelingenverdrag en het EVRM. Dat vermoeden is weerlegbaar en het is aan een vreemdeling om dat te doen. In wat eiser heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat eiser bij overdracht aan België in zodanig depriverende omstandigheden terechtkomt dat dit de bijzonder hoge drempel uit het arrest Jawo haalt. Deze drempel wordt bereikt wanneer de onverschilligheid van een lidstaat er toe leidt dat een persoon die volledig afhankelijk is van overheidssteun, buiten zijn wil en eigen keuzes om terechtkomt in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie die hem niet in staat stelt om te voorzien in zijn meest elementaire behoeften, zoals eten, een bad nemen en beschikken over woonruimte, en negatieve gevolgen zou hebben voor zijn fysieke of mentale gezondheid, of hem in een toestand van achterstelling zou brengen die onverenigbaar is met de menselijke waardigheid. Het betoog van eiser dat hij bij een eerdere overdracht naar België geen opvangplek had en verwacht dat nu ook niet te zullen krijgen, is daarvoor onvoldoende. Eiser heeft zich bij de eerdere overdracht niet laten registreren. Uit het voorgaande blijkt dat vreemdelingen die zich wel laten registreren in aanmerking komen voor noodopvang, waar in de elementaire behoeften wordt voorzien, en op de wachtlijst voor reguliere opvang worden geplaatst. De rechtbank acht daarbij van belang dat uit de informatie van de Belgische autoriteiten volgt dat bij de registratie vreemdelingen actief worden geïnformeerd over verschillende hulpinitiatieven waar zij een beroep op kunnen doen. Nu voor deze groep ook medische zorg is geregeld en de Belgische overheid de noodopvangplekken op diverse locaties of in hotels ook (deels) financiert, kan niet worden gesteld dat de Belgische autoriteiten onverschillig zijn ten aanzien van de opvang van asielzoekers. Dat eiser bij de laatste overdracht aan België geen actie heeft ondernomen om (nood)opvang te verkrijgen is door de staatssecretaris in dit verband terecht aan eiser tegengeworpen.
Ook overigens heeft eiser geen concrete feiten of omstandigheden aangevoerd die grond vormen voor het oordeel dat de staatssecretaris op grond van artikel 17 van de Dublinverordening de procedure aan zich had moeten trekken of aanvullende garanties bij de overdracht had moeten vragen.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de staatssecretaris deugdelijk gemotiveerd dat in geval van eiser voor België uitgegaan mag worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dat eiser kan worden overgedragen.
Bescherming
6. Op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag de staatssecretaris er in beginsel eveneens van uitgaan dat de autoriteiten van België zich houden aan hun (overige) internationale verplichtingen. Als uitgangspunt geldt dat eiser, wanneer in strijd met deze verplichtingen wordt gehandeld, kan klagen bij de desbetreffende (hogere) autoriteiten. De stelling van eiser dat hij zich bij voorkomende problemen, bijvoorbeeld met zijn familie, niet kan wenden tot de Belgische autoriteiten of de daarvoor geschikte instanties, is onvoldoende onderbouwd. De staatssecretaris stelt zich ten aanzien van die stelling terecht op het standpunt dat niet is gebleken dat autoriteiten hem niet kunnen of willen helpen nu niet is gebleken dat eiser zich (tevergeefs) tot de autoriteiten heeft gewend.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C. Brouwer, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. van Wijk, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.