ECLI:NL:RBDHA:2023:9476

ECLI:NL:RBDHA:2023:9476, Rechtbank Den Haag, 25-04-2023, NL23.10466

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 25-04-2023
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer NL23.10466
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Amsterdam
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RVS:2023:3240
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 3 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0011823

Samenvatting

Bewaring, grondslag ophouding, identiteit stond niet vast, terugkeerbesluit, voldoende duidelijk op welk land terugkeer zich richt gelet op eerdere bewaringsprocedures, 5.3 Vreemdelingenbesluit, strafrechtelijk vonnis voldoende snel ten uitvoer gelegd

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL23.10466

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. R.M. Seth Paul),

en

(gemachtigde: mr. G.J. Westendorp).

Procesverloop

Bij besluit van 5 april 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

Verweerder heeft op 7 april 2023 de maatregel van bewaring opgeheven.

De rechtbank heeft het beroep op 18 april 2023 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [de persoon] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Marokkaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op

[geboortedatum] 1985.

2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.

3. De rechtbank volgt eiser niet in het betoog dat hij ten onrechte is opgehouden op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vw 2000, omdat zijn identiteit al tijdens het strafrechtelijk voortraject in voldoende mate is komen vast te staan. Hierbij is in de eerste plaats van belang dat, anders dan eiser stelt, uit het proces-verbaal van aanhouding van

4 april 2023 niet blijkt dat eiser al gedurende het strafrechtelijk voortraject is “gezuild”.

In dit verband is verder nog van belang dat uit het “Formulier bijzonderheden zaak”(HV21) juist blijkt dat eiser pas op 5 april 2023 is “gezuild”. Voor zover overigens nog identiteitsgegevens zijn verkregen uit de verklaringen van eiser overweegt de rechtbank dat naar vaste jurisprudentie bij de overbrenging en ophouding de gegevens over de identiteit van de vreemdeling die zijn verkregen in het kader van zijn strafrechtelijke aanhouding tot uitgangspunt mogen worden genomen, maar dat die identiteit niet daardoor per se als vaststaand moet worden aanvaard. Nu eiser voorafgaand aan de ophouding geen originele identiteitsdocumenten heeft getoond en eisers identiteit in eerdere procedures evenmin onomstotelijk is vast komen te staan, heeft verweerder eiser terecht opgehouden op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vw 2000.

De rechtbank volgt eiser evenmin in het betoog dat de bewaring onrechtmatig is, omdat daaraan geen terugkeerbesluit ten grondslag ligt waaruit blijkt naar welk land eiser moet terugkeren.

Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 2 juni 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:1155) volgt dat het voor een vreemdeling kenbaar moet zijn naar welk derde land hij zal worden verwijderd als het op gedwongen terugkeer aankomt. Dan kan hij namelijk eventuele belangen die aan terugkeer naar dat land in de weg staan, zo goed mogelijk naar voren brengen. De rechtbank is met eiser van oordeel dat het aan de onderhavige maatregel ten grondslag gelegde terugkeerbesluit van

13 juli 2015 niet voldoet aan het hiervoor weergegeven vereiste. De enkele vermelding in het terugkeerbesluit van de bij verweerder bekende naam, geboortedatum, -plaats en -land, is in ieder geval onvoldoende indien niet tegelijkertijd wordt aangegeven dat eiser ook naar dat geboorteland dient terug te keren.

Dit betekent echter niet dat de maatregel van bewaring in dit geval niet kan worden gestoeld op dat terugkeerbesluit. Hiervoor acht de rechtbank redengevend dat eiser na uitvaardiging van het terugkeerbesluit diverse malen in vreemdelingenbewaring is gesteld. Uit deze ook bij eiser en zijn gemachtigde bekende procedures - de rechtbank verwijst naar NL21.4957, NL21.2741, NL17.9041 en AWB 15/21297 - blijkt duidelijk dat verweerder zich steeds heeft gericht op terugkeer van eiser naar Marokko. Het gaat te ver in een geval als dit te verwachten van verweerder dat bovenop het reeds genomen terugkeerbesluit alsnog een aanvullend terugkeerbesluit wordt genomen waarin uitdrukkelijk wordt genoemd dat eiser naar Marokko moet terugkeren. Een dergelijke eis zou in een situatie als de onderhavige enkel een formalistisch uitgangspunt dienen, terwijl het er om gaat dat eiser weet waar de terugkeerprocedure zich op richt.

Eiser stelt zich verder op het standpunt dat verweerder heeft gehandeld in strijd met artikel 5.3, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb), omdat hij niet schriftelijk, in een taal die hij verstaat of waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat hij deze verstaat, op de hoogte is gebracht van de redenen van bewaring en van de in het nationale recht vastgestelde procedures om het bevel tot bewaring aan te vechten, alsook van de mogelijkheid om gratis rechtsbijstand en vertegenwoordiging aan te vragen.

De rechtbank is ambtshalve bekend met uiteenlopende uitspraken van verschillende zittingsplaatsen van deze rechtbank over deze beroepsgrond. In een deel van deze uitspraken is geoordeeld dat er in soortgelijke gevallen geen sprake zou zijn van schending van artikel 5.3 van het Vb. In andere uitspraken is geconcludeerd dat wel sprake zou zijn van een gebrek (en dus een schending), maar dat vervolgens een belangenafweging in het nadeel van de vreemdeling moest uitvallen.

De rechtbank wijst in dit verband ook op een uitspraak van 14 februari 2023 waarbij deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, heeft geoordeeld dat er wel een schending was van artikel 5.3 van het Vb, omdat de vreemdeling in of bij de maatregel van bewaring geen schriftelijke vermelding heeft ontvangen van zijn recht op gratis rechtsbijstand en vertegenwoordiging. Dat eiser bij het verhoor voorafgaande aan diens inbewaringstelling wel expliciet mondeling is gewezen op deze rechten, doet volgens deze uitspraak niet af aan de verplichting om dit schriftelijk te vermelden in of bij het besluit tot inbewaringstelling. Deze uitspraak is door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op

16 maart 2023 (ongemotiveerd) bevestigd.

De rechtbank ziet aanleiding ook in dit geval te oordelen dat verweerder niet heeft voldaan aan de eisen genoemd in de derde zin van artikel 5.3 van het Vb. Niet gebleken is eiser bij de uitreiking van de maatregel schriftelijk, in een taal die hij verstaat, op de hoogte is gebracht van de redenen van bewaring, dat dat hij tegen de maatregel van bewaring beroep kan instellen en dat hij daarbij recht heeft op gratis rechtsbijstand.

Dit gebrek leidt echter niet tot de conclusie dat beroep gegrond moet worden verklaard. De rechtbank is van oordeel dat de ernst van het gebrek niet opweegt tegen de belangen die met de bewaring gediend zijn. Daarbij neemt de rechtbank in het bijzonder in aanmerking, dat eiser voorafgaand aan het opleggen van de maatregel in het bijzijn van de tolk op de hoogte is gesteld van de redenen voor de bewaring, zoals deze later zijn vastgelegd in de maatregel. Ook is eiser voorafgaand aan het opleggen van de maatregel van bewaring in het bijzijn van de tolk expliciet meegedeeld dat hij recht had op rechtsbijstand en vertegenwoordiging. Verder is aan eiser op initiatief van verweerder een advocaat toegekend. De advocaat heeft de maatregel van bewaring ontvangen en heeft daartegen namens eiser tijdig beroep kunnen instellen. Hoewel de informatie niet bij de uitreiking van de maatregel van bewaring schriftelijk in een voor eiser begrijpelijke taal aan hem kenbaar is gemaakt, is eiser dus ook zonder deze schriftelijke kennisgeving op de hoogte geraakt van de hem toekomende procedurele rechten en heeft hij hiervan gebruik kunnen maken. Verder is ook van belang dat uit de niet betwiste gronden van de maatregel volgt dat een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.

In paragraaf A5/6.13 van de Vreemdelingencirculaire 2000 is bepaald dat als tijdens de bewaring bekend wordt dat de vreemdeling nog een strafrechtelijk vonnis of arrest moet ondergaan, voor zover de tenuitvoerlegging van het strafrechtelijk vonnis of arrest is toegelaten, een vonnis of arrest zo snel mogelijk ten uitvoer wordt gelegd. In verband hiermee moet de Korpschef, de Commandant der KMar of de directeur van de justitiële inrichting zodra hij op de hoogte is van een strafrechtelijk vonnis contact opnemen met het Openbaar Ministerie (OM) over de executie van het vonnis.

In eisers geval is namens verweerder ter zitting verklaard dat op 6 april 2023 aan de directeur van de het detentiecentrum bekend is geworden dat eiser nog een straf diende uit te zitten. Dit strafvonnis is op 7 april 2023 ten uitvoer gelegd. De rechtbank acht dit voldoende snel. Dat het vonnis mogelijk al eerder bij verweerder bekend had kunnen zijn is niet voldoende om de bewaring onrechtmatig te achten.

7. Ook ambtshalve toetsend is de rechtbank van oordeel dat de toepassing van de maatregel niet onrechtmatig is geweest.

8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.G. Odink, rechter, in aanwezigheid van

M.R. van Kerkwijk, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?