ECLI:NL:RBDHA:2023:9608

ECLI:NL:RBDHA:2023:9608, Rechtbank Den Haag, 28-06-2023, SGR 22/4551

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 28-06-2023
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer SGR 22/4551
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 3 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001840

Samenvatting

Aanvraag van eiseres om een Nederlands paspoort terecht niet in behandeling genomen, omdat zij niet de Nederlandse nationaliteit heeft. Geen strijd met de Grondwet, EVN, Unierecht (arrest Tjebbes), IVRK. Besluit niet onevenredig.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 juni 2023 in de zaak tussen

de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 22/4551

[wettelijke vertegenwoordiger] haar hoedanigheid als wettelijk vertegenwoordiger van [eiseres] , uit [woonplaats] (Zwitserland), eiseres

(gemachtigde: mr. E. Derksen),

en

(gemachtigde: mr. I.D. Fleuren).

Procesverloop

Bij besluit van 13 juli 2021 (het primaire besluit) heeft verweerder de namens eiseres ingediende aanvraag om een Nederlands paspoort buiten behandeling gesteld.

Bij besluit van 24 juni 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft het beroep op 26 mei 2023 op zitting behandeld. De wettelijk vertegenwoordiger van eiseres heeft met behulp van een beeldverbinding deelgenomen aan de zitting, bijgestaan door haar gemachtigde, die fysiek aanwezig was. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Waar gaat deze zaak over?

1. Eiseres is geboren op [geboortedag] 2005 in [geboorteplaats] , Zwitserland, en verkreeg door geboorte het Nederlanderschap via haar moeder en de Zwitserse nationaliteit via haar vader. Zij woont sinds haar geboorte in Zwitserland. Op 9 september 2010 is voor het laatst een Nederlands paspoort aan eiseres verstrekt. Op 12 februari 2021 is namens eiseres weer een Nederlands paspoort aangevraagd.

2. Verweerder heeft de aanvraag niet in behandeling genomen. Hieraan heeft verweerder ten grondslag gelegd dat de moeder van eiseres het Nederlanderschap van rechtswege heeft verloren op 2 september 2019, omdat zij op dat moment gedurende een onafgebroken periode van tien jaar hoofdverblijf had in Zwitserland en zowel de Nederlandse als de Zwitserse nationaliteit had. Op dat moment verloor ook eiseres het Nederlanderschap van rechtswege omdat zij minderjarig was.

Wat zijn de regels?

3. De toepasselijke regels staan in de RWN. Volgens artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d, van die wet gaat het Nederlanderschap van een minderjarige verloren indien zijn vader of moeder het Nederlanderschap verliest ingevolge artikel 15, eerste lid, aanhef en onder b, c, of d of ingevolge artikel 15A van de RWN.

Wat vinden partijen in beroep?

4. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit. Zij stelt ten onrechte niet persoonlijk over de op handen zijnde wetswijziging te zijn geïnformeerd. Het verlies van rechtswege is volgens eiseres in strijd met de Grondwet en in strijd met het EVN. Eiseres stelt verder dat haar in strijd met het Unierecht en het arrest Tjebbes een onredelijke bewijslast wordt opgelegd. Ook de evenredigheidstoets schiet tekort. Het bestreden besluit is volgens eiseres in strijd met artikel 7 van het Handvest en met artikel 8 van het IVRK.

5. Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

Wat is het oordeel van de rechtbank?

Informatievoorziening

6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht heeft gemotiveerd dat, vanuit het oogpunt van eigen verantwoordelijkheid, van Nederlanders die in het buitenland wonen mag worden verlangd dat zij zich adequaat laten voorlichten over de geldende regels met betrekking tot het Nederlanderschap. Op de websites van het ministerie van

Buitenlandse Zaken, de Rijksoverheid en de IND is informatie te vinden over het verlies

van het Nederlanderschap. Verweerder is niet verplicht eiseres persoonlijk te

informeren.

Strijd met de Grondwet

7. Artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, van de RWN is een bepaling uit een wet in formele zin. In artikel 120 van de Grondwet is bepaald dat de rechter niet treedt in de beoordeling van de grondwettigheid van wetten en verdragen. Volgens de hoogste bestuursrechter staat dit toetsingsverbod er bij de huidige stand van de rechtsontwikkeling aan in de weg dat een (bepaling uit een) wet in formele zin wordt getoetst aan algemene rechtsbeginselen en (ander) ongeschreven recht. Dit laat onverlet dat aanleiding kan bestaan een wettelijke bepaling buiten toepassing te laten, als sprake is van bijzondere omstandigheden waarmee de wetgever geen rekening heeft gehouden en die de toepassing zozeer in strijd doen zijn met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht dat die toepassing achterwege moet blijven. De rechtbank is van oordeel dat daarvan in deze zaak geen sprake is. Het enkele feit dat recent een wetsvoorstel in consulatie is geweest dat beoogt het voor Nederlanders met een meervoudige nationaliteit die na langdurig verblijf buiten het grondgebied van de Europese Unie het Nederlanderschap verliezen gemakkelijker te maken het Nederlanderschap te behouden naast hun andere nationaliteit of, voor degenen die het na 1 april 2003 verloren, te herkrijgen, betekent niet dat sprake is van bijzondere omstandigheden als hiervoor bedoeld. Dat de wetgever de gevolgen van deze wetgeving destijds niet heeft onderkend, zoals eiseres ter zitting heeft beoogd, blijkt ook niet uit de wetsgeschiedenis van deze bepaling.

Strijd met het EVN

8. Daargelaten of aan de artikelen van het EVN rechtstreekse werking toekomt, stelt de rechtbank vast dat artikel 7, eerste lid, aanhef en onder e, van het EVN uitdrukkelijk voorziet in een intrekkingsgrond van de nationaliteit in het geval van het ontbreken van een effectieve band tussen de Staat die Partij is, en een onderdaan die zijn gewone verblijf in het buitenland heeft. Uit de wetsgeschiedenis van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, van de RWN blijkt dat de wetgever ervoor heeft gekozen een persoon die naast zijn Nederlanderschap een vreemde nationaliteit heeft verkregen en een ononderbroken periode van tien jaar hoofdverblijf heeft buiten Nederland, de Nederlandse Antillen en Aruba en buiten de gebieden waarop het Verdrag van de Europese Unie van toepassing is, het Nederlanderschap te laten verliezen, omdat verondersteld wordt dat de band die zo’n persoon met Nederland heeft van geen, althans van geen wezenlijke betekenis meer is. Verlies van het Nederlanderschap is naar het oordeel van de rechtbank in dit geval dan ook niet willekeurig als bedoeld in artikel 4, aanhef en onder c, van het EVN. Dat het verlies in het geval van eiseres willekeurig is, omdat zij niet persoonlijk over deze wetswijziging is geïnformeerd, zoals ter zitting is betoogd, volgt de rechtbank gelet op wat onder 6 is overwogen niet.

Strijd met het Unierecht/Tjebbes - bewijslast

9. Verweerder heeft terecht gesteld dat uit het arrest Tjebbes volgt dat het Unierecht er in beginsel niet aan in de weg staat dat een lidstaat om redenen van algemeen belang voorziet in het van rechtswege verlies van zijn nationaliteit, ook al leidt dit verlies voor de betrokkene tot het verlies van zijn burgerschap van de Unie. Het verlies van het Nederlanderschap op grond van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, van de RWN kan daarom van rechtswege intreden, zonder dat daaraan een daartoe strekkend besluit dient te zijn voorafgegaan. Wel moet in individuele gevallen de evenredigheid van het verlies van het Unieburgerschap worden onderzocht, wat in de situatie van eiseres ook is gebeurd. Daarbij geldt dat de peildatum bij de evenredigheidstoets volgens de jurisprudentie van de hoogste bestuursrechter het moment van verlies van het Nederlanderschap is. Dat dit er in voorkomende gevallen toe kan leiden dat bewijsstukken van tien jaar geleden moeten worden overgelegd, zoals eiseres heeft aangevoerd, doet daar niet aan af.

Evenredigheidstoets

De rechtbank stelt voorop dat uit uitspraken van de hoogste bestuursrechter volgt dat voor een succesvol beroep op het evenredigheidsbeginsel vereist is dat eiseres gevolgen ondervindt die in de sfeer van het Unierecht liggen. Aan argumenten die niet direct op het Unierecht betrekking hebben, komt geen gewicht toe bij de beoordeling of het verlies van de Nederlandse nationaliteit onevenredig moet worden geacht.

Volgens eiseres zijn haar belangen als minderjarige onvoldoende in de evenredigheidstoets betrokken. Ter zitting heeft de moeder van eiseres toegelicht dat eiseres overwoog om een tussenjaar te nemen in België. Als Zwitserse kan zij geen beroep doen op de Erasmusbeurs en dat belang is niet betrokken. De rechtbank stelt vast dat in het advies van de IND is betrokken dat eiseres zich aan het oriënteren is op een tussenjaar buiten Zwitserland, bijvoorbeeld in België. Daarbij is opgemerkt dat eiseres heeft bevestigd dat zij op het verliesmoment nog geen concrete plannen had. Verweerder heeft zich gelet op voormelde jurisprudentie van de hoogste bestuursrechter terecht op het standpunt gesteld dat argumenten die niet redelijkerwijze voorzienbaar waren op het verliesmoment, gelet op de ex tunc toetsing buiten beschouwing moeten worden gelaten. Dat het hiervoor genoemde belang van eiseres onvoldoende in de evenredigheidstoets is betrokken, volgt de rechtbank daarom niet.

In het arrest Tjebbes is onder 45 overwogen dat in het kader van de evenredigheidstoetsing met name de bevoegde nationale autoriteiten en in voorkomend geval de nationale rechterlijke instanties zich ervan dienen te vergewissen dat het nationaliteitsverlies verenigbaar is met de door het Handvest gewaarborgde grondrechten, waarvan het Hof de eerbiediging verzekert, en in het bijzonder met het recht op eerbiediging van het familie- en gezinsleven zoals dat is neergelegd in artikel 7 van het Handvest, waarbij dit artikel moet worden gelezen in samenhang met de verplichting tot inachtneming van het in artikel 24, lid 2, van het Handvest erkende belang van het kind.

In het advies van de IND staat dat in het geval van eiseres geen sprake is van beschermenswaardig familieleven in Nederland of een andere EU-lidstaat, omdat zij geen hechte persoonlijke banden met haar Nederlandse familieleden heeft. In het bestreden besluit heeft verweerder daaraan toegevoegd dat niet valt in te zien hoe het feit dat de grootouders van eiseres de zorg voor haar hebben overgenomen in 2013, toen haar moeder met haar jongste zusje in het ziekenhuis was, doorwerking heeft gehad tot het verliesmoment in 2019. Verweerder heeft ter zitting toegelicht in het midden te laten of in 2013 sprake was van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheid tussen eiseres en haar grootouders. Ten tijde van het verliesmoment in 2019 was dat volgens verweerder in elk geval niet aan de orde. Anders dan eiseres betoogt heeft verweerder met het voorgaande deugdelijk gemotiveerd dat geen sprake is van strijd met artikel 7 van het Handvest.

IVRK

11. Verweerder miskent volgens eiseres dat het Nederlanderschap deel uitmaakt van haar identiteit, waarbij zij op artikel 8 van het IVRK wijst. Naar het oordeel van de rechtbank behelst artikel 8 van het IVRK echter geen onvoorwaardelijke verplichting voor de Nederlandse Staat om eiseres haar Nederlandse nationaliteit te laten behouden. Dit volgt uit de zinsnede "zonder onrechtmatige inmenging". Omdat gelet op het vorenstaande niet is gebleken dat eiseres onevenredige gevolgen ondervindt als gevolg van het verlies van haar Nederlandse nationaliteit, is de rechtbank van oordeel dat geen onrechtmatige inmenging in het in artikel 8 van het IVRK neergelegde recht op behoud van de nationaliteit heeft plaatsgevonden.

Conclusie en gevolgen

12. De rechtbank komt tot de conclusie dat verweerder de aanvraag van eiseres om een Nederlands paspoort terecht niet in behandeling heeft genomen, omdat zij niet de Nederlandse nationaliteit heeft.

13. Het beroep is ongegrond.

14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W. Griffioen, rechter, in aanwezigheid van mr. R.W. Moorman, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 28 juni 2023.

de griffier is verhinderd te ondertekenen

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. C.W. Griffioen

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand