ECLI:NL:RBDHA:2024:11425

ECLI:NL:RBDHA:2024:11425, Rechtbank Den Haag, 22-07-2024, NL24.28245

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 22-07-2024
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer NL24.28245
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Utrecht
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 4 zaken
Aangehaald door 2 zaken
2 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0006358 BWBR0011823

Samenvatting

Bewaring, eerste beroep, omzetting, gebrek dat kleeft aan de eerste maatregel van bewaring werkt door in de huidige maatregel, ernstige schending, van meet af aan onrechtmatig, gegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

[eiser] , eiser

de Minister van Asiel en Migratie de minister (gemachtigde: mr. G.T. Cambier).

uitspraak

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL24.28245

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. S.R. den Toonder),

en

Procesverloop

Bij besluit van 13 juli 2024 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep op 22 juli 2024 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen T. Slimane. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

De rechtbank ziet zich in deze zaak voor de vraag gesteld of de onrechtmatigheid van de eerste matregel, doorwerkt in de rechtmatigheid van de maatregel van 13 juli 2024, die hier wel ter toetsing voorligt. Het uitgangspunt is dat een gebrek dat kleeft aan de eerste maatregel niet betekent dat een daaropvolgende maatregel ook onrechtmatig is (de schottentheorie). Daarop moet een uitzondering worden gemaakt in het geval van een

ernstige schending van het aan de vreemdeling toekomende recht om in vrijheid te worden gesteld als zijn bewaring onrechtmatig is1.

3. Eiser stelt dat de maatregel van bewaring van meet af aan onrechtmatig is, omdat sprake is van een dergelijke ernstige schending. De minister heeft de maatregel pas vier dagen na het instellen van beroep omgezet naar een andere grondslag. Dat is drie dagen nadat de minister bekend had moeten zijn met de verkeerde grondslag en twee dagen na het bericht van de rechtbank. Gezien de relatieve eenvoud waarmee bovenstaande voorkomen of hersteld kon worden en het belang dat moet worden gehecht aan het legaliteitsbeginsel, is eiser van mening dat er sprake is van een ernstige schending van zijn fundamentele recht om in vrijheid gesteld te worden als zijn bewaring onrechtmatig is.

4. De minister stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van een ernstige schending, zodat een doorbreking van de schottentheorie niet aan de orde is. Eiser heeft slechts enkele dagen op een onjuiste wettelijke grondslag in bewaring gezeten en er was in feite enkel sprake van een verkeerd geplaatst kruisje. De eerste maatregel is pas op 13 juli 2024 opgeheven, vanwege capaciteitsgebrek bij de betrokken instanties.

5. De rechtbank is van oordeel dat het gebrek dat kleeft aan de eerste maatregel van bewaring in dit geval wel doorwerkt in de huidige maatregel, die daardoor van meet af aan onrechtmatig is2. De rechtbank overweegt daartoe dat eiser op 9 juli 2024 op een onjuiste wettelijke grondslag in bewaring is gesteld, namelijk op grond van artikel 59, eerste lid, onder b, van de Vw terwijl hij geen rechtmatig verblijf had in Nederland en dit ook niet in geding was. Pas naar aanleiding van het bericht van de rechtbank in het digitale dossier op 11 juli 2024, waarin de rechtbank heeft gevraagd waaruit het rechtmatig verblijf van eiser blijkt, heeft de minister actie ondernomen. Daarna heeft het nog twee dagen geduurd voordat de eerste maatregel van bewaring werd opgeheven, op 13 juli 2024. De maatregel heeft daardoor vier dagen op een onrechtmatige grondslag voortgeduurd, wat in strijd is met het legaliteitsbeginsel. Dat de minister heeft gezegd dat het enkel gaat om een verkeerd geplaatst kruisje kan de rechtbank niet volgen. In de huidige maatregel van bewaring zijn namelijk ook deels andere feitelijke gronden ten grondslag gelegd. De duur van de voortduring van de evidente onrechtmatigheid, van aanvang af, en de relatieve eenvoud waarmee deze onrechtmatigheid voorkomen had kunnen worden, levert naar het oordeel van de rechtbank een ernstige schending op van eisers fundamentele recht om in vrijheid gesteld te worden toen zijn bewaring onrechtmatig was. Dat het na het bericht van de rechtbank nog twee dagen heeft geduurd voordat de maatregel werd opgeheven, doordat sprake was van capaciteitsgebrek bij de instanties die gaan over de opheffing, is voor de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel. Integendeel. Eiser mag hier immers niet de dupe van worden en dit doet niet af aan de ernst van de schending. De beroepsgrond slaagt.

6. Het beroep is gegrond en de maatregel van bewaring is vanaf het moment van opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 22 juli 2024.

7. Omdat het beroep gegrond is, behoeven de overige beroepsgronden geen bespreking meer.

1. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 26 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:885

2 Zie ook de uitspraak van de Afdeling van 16 juni 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2353, r.o. 8 ev.

8. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van bewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel van 10 x € 100,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.000,-.

9. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.750,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van

€ 875,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet de minister de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.I. van Meel, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Mulder, griffier.

De uitspraak zal openbaar gemaakt worden door publicatie op rechtspraak.nl en is uitgesproken en bekendgemaakt op:

22 juli 2024

E. Mulder Griffier

Rechtbank Midden-Nederland

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. M.I. van Meel

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?