RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.29144
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. F. Boone),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.
Procesverloop
Verweerder heeft op 5 mei 2024 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten op 26 juli 2024.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1993 en de Algerijnse nationaliteit te hebben.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 25 juni 2024 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, 18 juni 2024, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds 18 juni 2024.
4. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt en dat het zicht op uitzetting ontbreekt. Uit informatie van DT&V blijkt dat dat presentaties bij de Algerijnse autoriteiten in persoon moeten plaatsvinden. De schriftelijke aanvraag van een lp kan niet worden gezien als een presentatie in persoon die kan leiden tot afgifte van een lp. De schriftelijke rappels van verweerder hebben in deze zaak dan ook geen waarde. Niet is gebleken dat verweerder met de Algerijnse autoriteiten in gesprek is over een presentatie in persoon of dat er een wachtlijst is voor presentaties in persoon.
5. Dit betoog slaagt niet. Uit het dossier blijkt dat verweerder op 17 mei 2024 een lp-aanvraag heeft verzonden naar de Algerijnse autoriteiten. Sindsdien heeft verweerder driemaal schriftelijk gerappelleerd, laatstelijk op 10 juli 2024, en drie vertrekgesprekken met eiser gevoerd, laatstelijk op 9 juli 2024. Daarmee werkt verweerder voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser. De stelling van eiser dat een lp-aanvraag zonder een daaraan voorafgaande presentatie in persoon geen nut heeft, is niet onderbouwd en wordt niet gevolgd. Een presentatie in persoon kan alsnog plaatsvinden naar aanleiding van de lopende lp-aanvraag. Het is aan de Algerijnse autoriteiten om dit eventueel als voorwaarde te stellen. Er is dan ook niet gebleken dat het zicht op uitzetting ontbreekt.
6. Ook overigens is er geen aanleiding voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 30 juli 2024 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.