[naam] , V-nummer: [nummer] , verzoeker
(gemachtigde: mr. W. Volkers),
en
de minister van Asiel en Migratie , de minister
(gemachtigde: mr. B.W. Zagers).
Inleiding
1. Met het besluit van 4 juli 2024 (het bestreden besluit) heeft de minister de aanvraag van verzoeker tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek, tezamen met het beroep in de zaak NL24.27274, op 20 augustus 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker (bijgestaan door een tolk), de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden, in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed dat, gelet op de betrokken belangen, vereist.
De asielaanvraag van verzoeker is niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw omdat Duitsland daarvoor verantwoordelijk is, zoals bedoeld in de Dublinverordening.
Gelet op wat verzoeker in de (aanvullende) gronden van het verzoek heeft aangevoerd en op de zitting heeft toegelicht, weegt naar het oordeel van de voorzieningenrechter het belang van verzoeker om de uitspraak op het beroep in Nederland af te mogen wachten zwaarder dan het belang van de minister om verzoeker daarvóór al over te dragen aan Duitsland. De voorzieningenrechter zal dan ook het verzoek om een voorlopige voorziening toewijzen op de hierna te melden wijze. De voorzieningenrechter weegt hierbij mee dat verzoeker er belang bij heeft om niet te worden overgedragen voordat op zijn beroep is beslist. De uiterste overdrachtstermijn, 26 september 2024, wordt met deze uitspraak gestuit.
De voorzieningenrechter ziet in de toewijzing van het verzoek aanleiding om de minister te veroordelen in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.750,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en
1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde per punt van € 875,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- treft de voorlopige voorziening dat het bestreden besluit wordt geschorst en dat verzoeker niet mag worden overgedragen aan Duitsland totdat is beslist op het beroep;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 1.750,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.A. Oudenaarden, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E.A. Ruiter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.