ECLI:NL:RBDHA:2024:14003

ECLI:NL:RBDHA:2024:14003, Rechtbank Den Haag, 02-09-2024, NL24.27058

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 02-09-2024
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer NL24.27058
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Middelburg
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 3 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

EU:32003R0343

Samenvatting

Dublin België, problemen met opvang, beroep ongegrond

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL24.27058

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. S.A.M. Fikken),

en

de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. C.W.M. van Breda).

Procesverloop

Met het besluit van 2 juli 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen omdat België verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De rechtbank heeft het beroep op 29 augustus 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen eiser, de gemachtigde van eiser, [naam] als tolk, en de gemachtigde van de minister.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1992 en de Algerijnse nationaliteit te hebben. Eiser heeft op 13 mei 2024 een asielaanvraag ingediend.

2. Verweerder heeft de asielaanvraag niet in behandeling genomen, omdat België verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

3. Eiser voert tegen het bestreden besluit aan dat er sprake is van problemen met de opvang voor niet-kwetsbare asielzoekers. Uit de uitspraak van de Afdeling blijkt dat er minder plekken zijn in de nood- en daklozenopvang dan het aantal vreemdelingen dat wacht op een reguliere opvangplaats. Er is dus geen garantie dat eiser van deze nood- of daklozenopvang gebruik kan maken of toegang zal krijgen tot de basisvoorzieningen. Eiser verwijst ook naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Den Haag, van 4 juli 2024 en een tussenuitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, van 19 juli 2024. Eiser komt daarom in een situatie terecht van materiële deprivatie. Dat de autoriteiten niet onverschillig staan tegenover vreemdelingen is niet relevant. Hij wijst daarbij op de situatie aangaande Griekenland, waarbij de Afdeling heeft geoordeeld dat, hoewel de Griekse autoriteiten niet onverschillig zijn, er desalniettemin niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan mag worden. Verweerder had daarom toepassing moeten geven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening.

De rechtbank oordeelt als volgt.

4. Niet in geschil is dat België verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser en dat ten aanzien van België in beginsel van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Het geschil ziet op de vraag of verweerder toepassing had moeten geven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening.

In de uitspraak van de Afdeling van 13 maart 2024 dat verweerder in beginsel mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel met betrekking tot België is de opvangsituatie al meegewogen. De stelling van eiser dat uit de overgelegde uitspraken blijkt dat er te weinig plekken zijn in de nood- en daklozenopvang en dat hij geen toegang zal hebben tot de basisvoorzieningen is onvoldoende om te concluderen dat hij geen opvang en verdere voorzieningen zal krijgen. Uit de uitspraak van de Afdeling blijkt namelijk dat asielzoekers toegang hebben tot sanitaire, voedsel-, medische en juridische voorzieningen. Van belang is verder dat eiser eerder wel opvang heeft gekregen. Hij heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer niet opnieuw in de (nood- of daklozen-)opvang terecht zal kunnen. Er is dan ook geen sprake van een fundamentele systeemfout die de bijzondere drempel van zwaarwegendheid bereikt.

5. Verder geldt dat in Griekenland sprake is van andere omstandigheden ten opzichte van België, waardoor deze situatie niet vergelijkbaar is.

6. In de problemen met de opvang heeft verweerder dan ook geen aanleiding hoeven zien toepassing te geven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening.

7. Het beroep is ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 2 september 2024 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. E.C. Jacobs, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. K.M. de Jager

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?