RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 september 2024 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.33608
(gemachtigde: mr. E. Derksen),
en
de Minster van Asiel en Migratie .
Procesverloop
De minister heeft op 19 maart 2024 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
De rechtbank heeft deze maatregel al eerder getoetst. Op het eerste beroep is beslist bij uitspraak van 9 april 2024. Op het eerste vervolgberoep is beslist bij uitspraak van 7 mei 2024. Op het tweede vervolgberoep is beslist bij uitspraak van 12 juli 2024.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De minister heeft op 2 september 2024 de maatregel van bewaring opgeheven.
De rechtbank heeft het vooronderzoek op 3 september 2024 gesloten en bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.
Overwegingen
1. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw 2000 kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 12 juli 2024 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom beoordeelt de rechtbank nu alleen of de maatregel van bewaring sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek (op 5 juli 2024) rechtmatig is.
3. Eiser voert aan dat er geen zicht op uitzetting bestaat. Voor eiser stond een vlucht gepland naar Algerije op 29 augustus 2024, maar die vlucht is niet doorgegaan.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Uit de voortgangsrapportage blijkt dat er een laissez-passer voor eiser is afgegeven. Op 29 augustus 2024 stond voor eiser een vlucht gepland naar Algerije. Uit de brief van de minister van 3 september 2024 blijkt dat deze vlucht niet door is gegaan, omdat eiser een asielaanvraag heeft ingediend. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding voor het oordeel dat (op enig moment) geen zicht op uitzetting bestond. Het was immers wel mogelijk om eiser uit te zetten als hij geen asielaanvraag had ingediend.
4. Eiser voert aan dat hij op 29 augustus 2024 een asielwens heeft geuit. De minister had de bewaringsgrondslag zo snel mogelijk, maar uiterlijk binnen twee dagen moeten wijzigen. Dat heeft de minister niet gedaan. Dat maakt de maatregel met ingang van 1 september 2014 onrechtmatig.
Deze beroepsgrond slaagt. De minister heeft de maatregel met ingang van 2 september 2024 opgeheven en omgezet. Dat is te laat. De minister had eiser uiterlijk op 31 augustus 2024 op een andere wettelijke grondslag in bewaring moeten stellen. De bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 was na die dag onrechtmatig.
5. De rechtbank ziet ambtshalve geen reden om de bewaring al vanaf een eerdere datum onrechtmatig te achten.
Conclusie
6. Het beroep is gegrond. De maatregel is met ingang van 1 september 2024 onrechtmatig. Omdat de maatregel van bewaring al is opgeheven, is een bevel tot opheffing niet nodig. Eiser heeft wel recht op een schadevergoeding. De rechtbank kent een schadevergoeding toe voor € 100 (1 x € 100 (verblijf detentiecentrum)).
7. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 875 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 875 en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 100, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 875.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A. Gaastra, rechter, in aanwezigheid van
mr. L.G.C. Lelifeld, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.