RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 april 2024 in de zaak tussen
het college van burgemeester en wethouders van Leiden (het college), verweerder
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 22/8328
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. D. Swildens),
en
(gemachtigde: N. Fels).
Procesverloop
Bij besluit van 23 september 2022 (het primaire besluit) heeft het college de aanvraag van eiseres om toekenning van de eenmalige energietoeslag afgewezen.
Bij besluit van 18 november 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder het hiertegen door eiseres bij brief van 19 oktober 2022 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft de gedingstukken ingediend.
Omdat beide partijen, nadat zij waren gewezen op hun recht om ter zitting te worden gehoord, niet binnen vier weken hebben aangegeven dat zij gebruik wilden maken van dit recht, heeft de rechtbank met toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht een zitting achterwege gelaten, het onderzoek in deze zaak gesloten en partijen meegedeeld dat heden uitspraak wordt gedaan.
Overwegingen
3. Eiseres voert in beroep aan dat uit de Beleidsregels niet blijkt dat kamerhuurders zoals zij worden uitgesloten van de energietoeslag. Voor zover het college zich beroept op de regel dat studenten hoe dan ook niet in aanmerking komen voor deze toeslag, stelt eiseres dat het categorisch uitsluiten van studenten strijd oplevert met artikel 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) alsmede met artikel 1 van Protocol 12 bij het EVRM. Er is volgens eiseres geen rechtvaardiging voor deze uitsluiting. De individuele bijzondere bijstandsregeling biedt voor eiseres geen redelijk alternatief.
4. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.
5. Niet in geschil is dat eiseres ten tijde van de beslissing op de aanvraag om energietoeslag student was, en aanspraak kon maken op studiefinanciering krachtens de Wet studiefinanciering 2000. De eenmalige energietoeslag was bedoeld voor huishoudens met een minimuminkomen die als gevolg van de gestegen energieprijzen in financiƫle problemen dreigden te raken. Ingevolge artikel 5, tweede lid, onder c, van de Beleidsregels wordt tot een huishouden niet gerekend de persoon die op de peildatum jonger is dan 27 jaar en aanspraak maakt op studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000. Bij strikte toepassing van deze regeling komen studenten niet in aanmerking voor de eenmalige energietoeslag. De rechtbank hoeft in deze zaak echter niet te beoordelen of het beleid van de gemeente Leiden, op grond waarvan studenten categorisch worden uitgesloten van het recht op de energietoeslag, in strijd is met het discriminatieverbod. Uit de motivering van het bestreden besluit blijkt namelijk dat het college de aanvraag (ook) heeft afgewezen omdat eiseres kamerhuurder is. Daarom zal de rechtbank toetsen of die weigeringsgrond in rechte stand kan houden.
6. De Centrale Raad van Beroep (CRvB), de hoogste rechter in sociale zekerheidszaken, heeft in de uitspraak van 29 februari 2024 geoordeeld over de afwijzing van de aanvraag om energietoeslag van een student in de gemeente Amsterdam. In die gemeente gold voor studenten het hebben van een energiecontract op naam als extra voorwaarde om voor de energietoeslag in aanmerking te komen. De CRvB was van oordeel dat studenten en andere minima zich voor wat betreft de aanspraak op energietoeslag in een vergelijkbare situatie bevinden, en dat er sprake is van ongelijke behandeling door aan studenten (onder meer) de voorwaarde van een energiecontract op naam te stellen. Volgens de CRvB was deze ongelijke behandeling van studenten in vergelijking met andere minima echter gerechtvaardigd. Hiertoe is overwogen dat de regeling voor de eenmalige energietoeslag uitdrukkelijk alleen is bedoeld om inwoners te compenseren die daadwerkelijk worden getroffen door de verhoging van de energiekosten. Bij studenten is lastig vast te stellen in hoeverre zij daadwerkelijk met de gestegen energiekosten worden geconfronteerd, omdat de woon- en leefsituatie van studenten nogal varieert. Sommigen huren een kamer met een huurprijs inclusief energiekosten, anderen wonen nog bij hun ouders. Daarom vond de CRvB het gerechtvaardigd dat in de gemeente Amsterdam als extra eis gold dat de student een eigen energiecontract heeft. Het beroep op schending van artikel 14 van het EVRM en van artikel 1 van Protocol 12 van het EVRM werd daarom verworpen.
7. Het college heeft vastgesteld dat eiseres een kamer huurt en dat op het adres van eiseres meerdere personen staan ingeschreven, zodat geen sprake is van een zelfstandige woonruimte. Daardoor komt eiseres niet in aanmerking voor de eenmalige energietoeslag. De rechtbank is van oordeel dat het besluit van het college om eiseres geen energietoeslag toe te kennen niet in strijd komt met geschreven of ongeschreven rechtsregels. Het is volgens de rechtbank namelijk gerechtvaardigd om bij de beoordeling van de aanvraag van studenten onderscheid te maken tussen enerzijds kamerhuurders en anderzijds studenten die wel over zelfstandige woonruimte beschikken. Voor de motivering van dit oordeel verwijst de rechtbank naar de eerdergenoemde uitspraak van de CRvB. De rechtbank voegt hieraan toe dat zij er van uitgaat dat een student die over zelfstandige woonruimte beschikt, vrijwel steeds een eigen energiecontract zal hebben.
8. Het college heeft eiseres nog verwezen naar de Beleidsregels bijzondere bijstand Leiden 2022. Op grond van die regeling konden inwoners van 21 jaar of ouder met een inkomen tot 150% van de bijstandsnorm (waaronder studenten) tot en met 31 december 2022 in aanmerking komen voor een vergoeding van de energiekosten. Eiseres heeft gesteld dat deze regeling geen redelijk alternatief biedt, omdat bijzondere bijstand alleen in bijzondere omstandigheden wordt verleend. Naar het oordeel van de rechtbank kan echter juist door toepassing van deze regeling rekening worden gehouden met de verschillende omstandigheden waarin studenten qua huisvesting en energiekosten verkeren. 9. De rechtbank komt tot de slotsom dat het college de aanvraag van eiseres om toekenning van de eenmalige energietoeslag terecht heeft afgewezen. Dit betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.J. Waterbolk, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. al Qaq, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 25 april 2024.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.