ECLI:NL:RBDHA:2024:15286

ECLI:NL:RBDHA:2024:15286, Rechtbank Den Haag, 25-09-2024, NL24.15641

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 25-09-2024
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer NL24.15641
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Groningen
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RVS:2024:5059
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 2 zaken
2 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005537 BWBR0011823

Samenvatting

visum kort verblijf, sociale en economische binding onvoldoende aangetoond, geen sprake van kennelijk ongegrond bezwaar, daarom had gehoord moeten worden. Hoorgebrek gepasseerd met art. 6:22 Awb, beroep tegen niet tijdig beslissen op bezwaar en dwangsom gegrond

Uitspraak

Beoordeling van het beroep tegen het bestreden besluit

3. Eisers zijn gehuwd en hebben de Syrische nationaliteit. Zij hebben een aanvraag ingediend tot afgifte van een visum voor kort verblijf voor een familiebezoek aan het gezin van hun dochter en hun schoonzoon (referent) en de kleinkinderen.

Verweerder heeft het visum geweigerd omdat eisers het doel en omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet hebben aangetoond en omdat er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van eisers om het grondgebied van de lidstaten voor het verstrijken van het visum te verlaten, nu zij hun binding, sociaal en economisch, met Syrië onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt. Er is volgens verweerder wel sociale binding met Syrië vanwege een minderjarige zoon in Syrië, maar deze binding acht verweerder, met name gelet op het ontbreken van economische binding van eiser, ontoereikend om de twijfel over een tijdige terugkeer weg te nemen. Van het horen van eisers of referent is afgezien.

Is sprake van een kennelijk ongegrond bezwaar?

4. Eisers voeren aan dat het bezwaar ten onrechte kennelijk ongegrond is verklaard. Verweerder had hen moeten horen en wijzen in dit verband op uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam van 22 april 2008, zittingsplaats Utrecht van 15 februari 2023 en van Middelburg van 26 september 2022. Tijdens de zitting is in dit verband ook gewezen op de Werkinstructie 2022/20 horen en mandatering in bezwaar. Daarmee is impliciet ook een beroep gedaan op de uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat het bezwaar terecht kennelijk ongegrond is verklaard. Gelet op de motivering van het primaire besluit en wat in bezwaar is aangevoerd, kon er volgens verweerder van uitgegaan worden dat de in bezwaar overgelegde verklaringen en stukken niet tot een andersluidend oordeel zouden nopen. Verweerder vindt verder ook dat eisers onvoldoende inspanningen hebben verricht om de benodigde informatie aan te leveren.

De beroepsgrond van eisers slaagt. De rechtbank overweegt in dit verband eerst dat het vaste rechtspraak van de Afdeling is dat het horen in bezwaar als uitgangspunt moet worden genomen. Het horen in bezwaar vormt een essentieel onderdeel van die bezwaarprocedure en de gronden waarop van horen kan worden afgezien moeten terughoudend worden toegepast. Dit uitgangspunt geldt te meer in zaken waarin er beoordelingsruimte is en de beslissing sterk afhankelijk is van de omstandigheden van het geval. Van het horen kan slechts een uitzondering worden gemaakt als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is dat het in bezwaar aangevoerde niet tot een ander standpunt kan leiden dan in het primaire besluit. Verder volgt uit de uitspraak van 6 juli 2022 dat terughoudend moet worden omgegaan met uitzonderingen op de hoorplicht. Daarbij heeft de Afdeling erop gewezen dat met de hoorplicht ook wordt beoogd het vertrouwen van burgers in de overheid te versterken en draagvlak te creëren voor besluiten. De vraag of van een gehoor kan worden afgezien, is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval. Als relevante omstandigheid heeft de Afdeling onder meer genoemd de mate waarin een vreemdeling bereidwillig en actief de inspanningen heeft verricht die redelijkerwijs van hem verwacht kunnen worden bij het verkrijgen en tijdig aanleveren van de verzochte informatie. De vuistregel is dat naarmate een vreemdeling meer inspanningen heeft verricht om de benodigde informatie te verkrijgen en daarover heeft gecommuniceerd, het meer in de rede ligt om hem uit te nodigen voor een hoorzitting.

Vast staat dat eisers ter onderbouwing van hun betoog dat sprake is van voldoende sociale binding, al in het begin van de bezwaarfase stukken hebben overgelegd, te weten een transcript of family civil status register for Syrian Arab Citizens, gedateerd op 17 januari 2023 van de Syrian Arab Republic Ministery of Interior Civil Affairs. Eisers geven aan dat dit een gezinsuittreksel betreft met de namen van de familieleden van eisers, voorzien met geboortedata en geboorteplaatsen in Syrië. Verweerder heeft dit niet bestreden. Verweerder heeft vervolgens in de bezwaarfase een vragenlijst toegezonden aan referent om nadere informatie te verkrijgen. Eisers hebben terecht gesteld dat bij de toelichting bij vraag 11 van de vragenlijst (‘inleveren bewijsstukken persoonlijke gegevens en inkomen’) niks is vermeld over nadere informatie of bewijsstukken die zien op het al door eisers overgelegde gezinssuittreksel en de daarop genoemde familieleden. Verweerder heeft daarover en over de verblijfplaatsen van de familieleden in de bezwaarfase eisers ook niet nader op bevraagd. Gelet hierop heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat uit het bezwaar al aanstonds bleek dat het geen kans van slagen kon hebben als ook dat eisers onvoldoende inspanningen zouden hebben verricht. Dat verweerder eisers een vragenlijst toe heeft gestuurd, duidt er bovendien op dat verweerder in de bezwaarfase klaarblijkelijk ook nadere informatie nodig had.

De rechtbank concludeert dan ook dat er geen sprake is van een kennelijk ongegrond bezwaar en dat verweerder ten onrechte heeft afgezien van het horen van eisers en/of referent in bezwaar. Het bestreden besluit is derhalve genomen in strijd met artikel 7:2 in samenhang met artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb.

5. De rechtbank ziet aanleiding om het hoorgebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb, omdat, gelet op de hiernavolgende overwegingen, aannemelijk is dat eisers niet benadeeld zijn door dit gebrek, omdat daaruit blijkt dat het gebrek een invloed heeft gehad op het dictum van het bestreden besluit.

Mocht verweerder de aanvraag van eisers afwijzen omdat zij onvoldoende sociale en economische banden met Syrië hebben?

6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder op goede gronden heeft geconcludeerd dat eisers onvoldoende sociale en economische binding hebben met Syrië en dat als gevolg daarvan redelijke twijfel bestaat dat zij zullen terugkeren. In het kader van de sociale binding heeft verweerder kunnen meewegen dat, anders dan eisers hebben gesteld, het onduidelijk is of er nog meerdere gezinsleden in Syrië wonen, nu onduidelijk is gebleven waar ze wonen. Dit blijkt niet uit het onder 4.3. vermelde gezinsuittreksel of de overgelegde foto’s. Verweerder heeft voorts mogen meewegen dat er wel enige sociale binding is, nu er nog een minderjarige zoon is in Syrië, maar heeft dit feit van minder belang mogen vinden, gelet op zijn leeftijd van 17 jaar oud. Verweerder heeft verder zwaar kunnen meewegen dat een sterke economische binding niet voldoende is aangetoond. De omstandigheid dat eisers in Syrië over een eigen koopwoning beschikken, is onvoldoende om van een sterke economische binding uit te gaan. De koopwoning kan immers ook vanuit het buitenland worden verkocht of verhuurd door derden. De rechtbank volgt verweerder ook in zijn standpunt dat eisers onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt dat eiser in Syrië werkzaam was als zelfstandig taxichauffeur, omdat een onderbouwing hiervan ontbreekt. De overgelegde stukken, evenals de aangevoerde redenen door eisers voor het niet aanleveren van de gevraagde stukken, namelijk de oorlogssituatie in Syrië en dat de Syrische Kamer van Koophanden veel geld zou vragen voor een uittreksel waardoor eisers het zonde van hun geld zouden vinden, maken niet dat verweerder over de economische binding van eisers met Syrië anders had moeten oordelen. Daarbij komt dat eiser reeds al 1 januari 1990 werkzaam zou zijn als zelfstandig taxichauffeur en dat gelet daarop van eisers mag worden verwacht hiervan bewijsstukken aan te kunnen leveren. Verweerder stelt terecht dat niet valt in zien waarom het eiser tot op heden niet gelukt is om aan te tonen dat hij zelfstandig ondernemer is. Zo hadden er bijvoorbeeld getuigenverklaringen ingebracht kunnen worden. De gestelde bewijsnood is niet aannemelijk geworden.

Gelet op het voorgaande heeft verweerder de aanvraag van eisers tot het verlenen van een visum kort verblijf terecht afgewezen.

Beoordeling van het beroep tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar en dwangsom

7. De rechtbank stelt vast dat verweerder met het bestreden besluit alsnog heeft beslist op het bezwaar van eisers.

De rechtbank is, gelet op artikel 6:20, vijfde lid, van de Awb, van oordeel dat eisers nog steeds belang hebben bij een beoordeling van dit beroep, en zal dit beroep gegrond verklaren. De rechtbank overweegt hiertoe verder als volgt.

In rechtsoverweging 4.4 is geoordeeld dat verweerder het bezwaar ten onrechte kennelijk ongegrond heeft verklaard. Verder is niet in geschil dat de wettelijke beslistermijn is verstreken en dat verweerder niet binnen twee weken na de ingebrekestelling van 22 maart 2024 op het bezwaar van eisers heeft beslist. Dat betekent dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat hij geen dwangsom is verschuldigd.

Op grond van artikel 4:17, eerste lid, van de Awb, verbeurt het bestuursorgaan als een beschikking niet tijdig wordt gegeven een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is, maar ten hoogste voor 42 dagen. Op grond van artikel 4:17, tweede lid, van de Awb, bedraagt de dwangsom de eerste veertien dagen € 23,- per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 35,- per dag en de overige dagen € 45,- per dag. Op grond van het derde lid van artikel 4:17 van de Awb, is de eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.

Verweerder heeft op 25 maart 2024 een ingebrekestelling ontvangen. Dit betekent dat de laatste dag van de twee weken-termijn, na de ingebrekestelling, eindigde op 8 april 2024. De bestuurlijke dwangsom is daarom verschuldigd vanaf 9 april 2024. Pas op 8 mei 2024 heeft verweerder een beslissing op het bezwaarschrift van eisers genomen. Dat zijn 28 dagen na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken. De rechtbank stelt daarom de hoogte van de dwangsom vast op een bedrag van € 902,- (14x 23 euro, 14x35 euro 2x 45 euro).

Proceskostenveroordeling en vergoeding griffierecht

8. Vanwege de toepassing van artikel 6:22 Awb en omdat vaststaat dat niet tijdig is beslist op het bezwaar, zal de rechtbank bepalen dat verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht vergoedt en verweerder veroordelen in de door eisers gemaakte proceskosten.

De proceskosten voor het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar stelt de rechtbank vast op € 437,50, omdat de gemachtigde van eisers een beroepschrift heeft ingediend tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar van eisers (1 punt voor het indienen van dat beroepschrift met een waarde per punt van € 875,– en een wegingsfactor 0,5). De rechtbank is van oordeel dat deze zaak van gering gewicht is, omdat deze procedure slechts betrekking heeft op de vraag of de minister niet tijdig heeft beslist op het bezwaar.

De proceskosten voor het beroep tegen het bestreden besluit stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.750,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 875,- en een wegingsfactor 1).

De totale proceskostenvergoeding bedraagt € 2.187,50. Als aan eisers een toevoeging is verleend, moet verweerder deze vergoeding betalen aan de gemachtigde.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar gegrond;

- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond;

- stelt het bedrag van de dwangsom vast op € 902,-, te betalen door verweerder aan eisers;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 2.187,50,-;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 187,- aan eisers te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van mr. F. Aissa, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. N.M. van Waterschoot

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?