ECLI:NL:RBDHA:2024:15399

ECLI:NL:RBDHA:2024:15399, Rechtbank Den Haag, 20-09-2024, NL24.35171

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 20-09-2024
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer NL24.35171
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Arnhem
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 4 zaken
Aangehaald door 3 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0011823

Samenvatting

bewaring, vervolgberoep, voortvarendheid, zicht op uitzetting, ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 september 2024 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

de minister van Asiel en Migratie.

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL24.35171

(gemachtigde: mr. M.A. Krikke),

en

Procesverloop

De minister heeft op 23 juli 2024 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.

De rechtbank heeft deze maatregel van bewaring al eerder getoetst bij uitspraak 1 augustus 2024.

Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.

De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.

De rechtbank heeft het vooronderzoek op 13 september 2024 gesloten en bepaald dat de zaak niet op zitting wordt behandeld.

Overwegingen

1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw 2000 het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.

2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 1 augustus 2024 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu alleen ter beoordeling of het voortduren van de maatregel van bewaring sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek (op 30 juli 2024) rechtmatig is.

Handelt de minister voldoende voortvarend?

3. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting. Allereerst voert eiser aan dat de minister uiterlijk 29 juli 2024 de eerste uitzettingshandeling had moeten verrichten. De minister heeft op 25 juli 2024 een vertrekgesprek gevoerd met eiser, maar een verslag hiervan bevindt zich niet in het dossier. Het vertrekgesprek van 25 juli 2024 moet daarom worden geacht niet te hebben plaatsgevonden. In dit verband stelt eiser ook dat het vertrekgesprek van 25 juli 2024 niet kan worden beschouwd als een uitzettingshandeling, omdat het gesprek het karakter had van een kennismakingsgesprek. Daarnaast voert eiser aan dat in de twee vertrekgesprekken [de rechtbank gaat ervan uit dat eiser doelt op de vertrekgesprekken van 7 augustus 2024 en 2 september 2024] geen tot zeer weinig daadwerkelijke uitzettingshandelingen zijn besproken. Hierdoor kunnen deze vertrekgesprekken niet gekwalificeerd worden als uitzettingshandelingen. Tot slot voert eiser aan dat de minister pas op 9 augustus 2024 een aanvraag voor de laissez-passer (lp) heeft ingediend bij de Algerijnse autoriteiten.

De rechtbank overweegt het volgende. Het onderhavige beroep ziet enkel op het voortduren van de maatregel van bewaring sinds het moment van het sluiten van het vorige onderzoek (op 30 juli 2024). De uitzettingshandelingen van het vorige onderzoek worden daarom door de rechtbank niet in ogenschouw genomen bij dit beroep.

Uit de voortgangsrapportage blijkt dat de minister op 7 augustus 2024 en 2 september 2024 een vertrekgesprek heeft gevoerd met eiser. In het algemeen geldt dat een vertrekgesprek is aan te merken als een uitzettingshandeling. Waarom daarvan in het geval van eiser niet kan worden gesproken heeft hij niet aannemelijk gemaakt. Uit de verslagen volgt dat met eiser is gesproken over zijn terugkeer naar Algerije, maar dat eiser dit steeds afslaat. Daar komt bij dat uit de voortgangsrapportage blijkt dat de minister op 9 augustus 2024 de lp-aanvraag heeft ingediend bij de Algerijnse autoriteiten en dat hij op 22 augustus 2024 heeft gerappelleerd bij de Algerijnse autoriteiten. Deze handelingen zijn eveneens te kwalificeren als uitzettingshandelingen. Verder blijkt uit de voortgangsrapportage dat op 26 augustus 2024 een aanvullend identiteitsonderzoek heeft plaatsgevonden. Op grond van deze uitzettingshandelingen valt niet in te zien waarom de minister onvoldoende voortvarend aan de uitzetting zou werken. De beroepsgrond slaagt daarom niet.

Ontbreekt er zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn?

4. Eiser betoogt dat het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ontbreekt, omdat hij niet beschikt over documenten, weigert mee te werken aan zijn uitzetting en zonder resultaat meermaals is gepresenteerd bij de Algerijnse autoriteiten. Eiser voert in dit verband ook aan dat de minister sinds 1996 meerdere vergeefse pogingen heeft ondernomen om eiser uit te zetten wat nooit is gelukt.

De rechtbank overweegt het volgende. In de uitspraak van 6 mei 2024 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State geoordeeld dat er in het algemeen (weer) zicht op uitzetting is naar Algerije binnen een redelijke termijn. Uit de voortgangsrapportage blijkt dat de minister op 9 augustus 2024 de lp-aanvraag heeft ingediend bij de Algerijnse autoriteiten en dat hij op 26 augustus 2024 een aanvullend identiteitsonderzoek heeft laten uitvoeren. Aan de Algerijnse autoriteiten mag enige tijd worden gegund om de afgifte van een lp in orde te maken en om te bepalen welke stappen (zoals een presentatie) daarvoor nodig zijn. Bovendien blijkt uit de voortgangsrapportage niet dat de Algerijnse autoriteiten de aanvraag (al) hebben afgewezen of dat zij de aanvraag niet (langer) in behandeling hebben. Het feit dat eiser niet beschikt over documenten en weigert mee te werken aan zijn uitzetting, is daarom onvoldoende voor het oordeel dat helemaal geen zicht meer bestaat op uitzetting naar Algerije binnen een redelijke termijn. Eisers verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 30 augustus 2024, wat overigens betrekking heeft op een ander land dan Algerije, kan hem dan ook niet baten.

Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?

5. Los van de door eiser aangevoerde beroepsgronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg, rechter, in aanwezigheid van mr. D.M. Abrahams, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?