RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.40190
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. F.J.M. Schonkeren),
en
(gemachtigde: mr. S. Zuithoff).
Procesverloop
Bij besluit van 22 december 2023 (het bestreden besluit) heeft de staatssecretaris de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 18 januari 2024 op zitting behandeld in Breda. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, C. Shaljan als tolk en de gemachtigde van de staatssecretaris.
Overwegingen
1. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1976 en heeft de Kazachse nationaliteit.
2. De staatssecretaris heeft de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw. Volgens de staatssecretaris zijn de autoriteiten van Polen verantwoordelijk voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser, omdat hij door Polen in het bezit is gesteld van een Schengenvisum, dat geldig was van 1 oktober 2022 tot 30 september 2023. De staatssecretaris heeft een verzoek om overname gedaan op grond van artikel 12, tweede lid, van de Dublinverordening. Op 20 september 2023 zijn de autoriteiten van Polen hiermee akkoord gegaan.
3. Eiser is het daarmee niet eens en voert aan dat de staatssecretaris ten aanzien van Polen ten onrechte uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiser verwijst in dat verband naar een informatiebrief van Vluchtelingenwerk Nederland van 8 juli 2023. Daaruit blijkt dat terugkerende dublinclaimanten het risico lopen om te worden gedetineerd. De situatie in de detentiecentra is zeer slecht. Verder is er in Polen nog altijd sprake van push-backs, en slechts een beperkt aantal asielzoekers heeft toegang tot gratis rechtshulp. Daarnaast is de Poolse rechterlijke macht niet onafhankelijk. Verder voert eiser aan dat hij homoseksueel is en dat de positie van LHBTI in Polen bijzonder slecht is. Ook de Poolse autoriteiten laten zich negatief uit over LHBTI, zodat klagen bij de autoriteiten voor eiser niet zinvol is. Eiser beroept zich op een uitspraak van de Afdeling van 18 september 2023 waarbij de Afdeling een voorlopig voorziening heeft getroffen in verband met prejudiciële vragen die gesteld zijn over de ondeelbaarheid van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Tot slot beroept eiser zich op artikel 10 en 17 van de Dublinverordening. Eisers partner, [naam partner] (hierna: de partner) verblijft in Nederland en zijn asielaanvraag is inhoudelijk in behandeling genomen. Om die reden is Nederland verantwoordelijk voor de behandeling van zijn asielaanvraag.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Ingevolge artikel 10 van de Dublinverordening is, wanneer een gezinslid van een verzoeker in een lidstaat een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend waarover in eerste aanleg nog geen beslissing ten gronde is genomen, deze lidstaat verantwoordelijk voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming, mits de betrokkenen schriftelijk hebben verklaard dat zij dit wensen.
5. Volgens artikel 2, aanhef en onder g, van de Dublinverordening valt onder de definitie van gezinsleden, de niet-gehuwde partner met wie een duurzame relatie wordt onderhouden en deze relatie reeds bestond in het land van herkomst.
6. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eiser is Nederland, op een door Polen verstrekt Schengenvisum ingereisd, samen met zijn gestelde partner. Eiser en zijn partner hebben ieder een asielaanvraag ingediend. Zij verblijven sindsdien samen in het AZC. De asielaanvraag van eisers gestelde partner wordt behandeld in de nationale procedure. Uit het bestreden besluit blijkt dat op de asielaanvraag van de partner van eiser nog niet is beslist en dat eiser en zijn partner beiden schriftelijk hebben verklaard samen in Nederland willen te verblijven.
7. De staatssecretaris heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat eiser niet heeft aangetoond dat hij een duurzame relatie heeft met zijn partner. De vraag is of de staatssecretaris dit terecht aan eiser heeft tegengeworpen.
8. De rechtbank is van oordeel dat de staatsecretaris zich onvoldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat artikel 10 van de Dublinverordening niet van toepassing is omdat de partner van eiser geen gezinslid is als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder g, van de Dublinverordening. Immers zoals blijkt uit de weergave van de feiten en omstandigheden zijn eiser en zijn partner samen Nederland ingereisd en hebben zij sindsdien samen in het AZC verbleven. Daarnaast heeft eiser zowel in het verhoor door AVIM van 3 juli 2023 als tijdens het aanmeldgehoor Dublin van 27 juli 2023 uitvoerig verklaard over zijn gestelde relatie met zijn partner. Eiser heeft verklaard dat zij sinds september 2012 een relatie hebben en zij vanaf oktober 2012 in Kazachstan samenwoonden, maar niet konden trouwen. Hij verklaart daarnaast dat zij kort uit elkaar zijn geweest, maar verder altijd een relatie hebben gehad, ondanks dat zij soms periodes niet samen konden zijn omdat eiser in verband met zijn werk buiten Kazachstan verbleef. Anders dan de staatssecretaris, leest de rechtbank daarin niet dat de relatie tussen eiser en zijn partner vanaf 2021 verbroken is (geweest). Ter zitting heeft eiser verder bevestigd dat eiser en zijn partner in hun gehoren met de IND gelijkluidende verklaringen hebben afgelegd over hun relatie. De staatssecretaris heeft dat desgevraagd niet weersproken. Indien er bij de staatssecretaris nog vragen bestonden over de duurzaamheid van de relatie had het op grond van artikel 3:2 van de Awb op de weg van de staatssecretaris gelegen om hierover nader vragen te stellen. Daarvan is de rechtbank niet gebleken.
9. De rechtbank stelt verder vast dat de staatssecretaris in het overnameverzoek van 15 september 2023 aan de Poolse autoriteiten niet heeft vermeld dat eiser heeft gesteld een relatie te hebben.
10. Hoewel eiser in zijn brief van 17 januari 2024 heeft verklaard dat zijn relatie recent is verbroken, leidt dat gelet op artikel 7, tweede lid, van de Dublinverordening niet tot een ander oordeel. Uit dat artikel volgt namelijk dat de situatie op het tijdstip waarop een verzoeker zijn verzoek om internationale bescherming voor de eerste maal indient, bepalend is voor de vraag welke lidstaat de verantwoordelijke lidstaat is. Ten tijde van de asielaanvraag in Nederland op 3 juli 2023 hebben eiser en zijn gestelde partner verklaard een relatie te hebben. Dat moment is daarom bepalend voor de beoordeling welke lidstaat verantwoordelijk is, zodat artikel 10 van de Dublinverordening nog onverminderd van toepassing is.
Conclusie en gevolgen
11. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met artikel 10 van de Dublinverordening. De rechtbank komt gelet hierop niet toe aan de bespreking van de overige beroepsgronden. Nu de rechtbank het bestreden besluit vernietigt zal de staatssecretaris een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak.
12. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de staatssecretaris een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak.
13. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten.
De staatssecretaris moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 1.750 omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 22 december 2023;
- draagt de staatssecretaris op een nieuw besluit te nemen op de aanvraag van eiser, waarbij
rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt de staatssecretaris tot betaling van € 1.750 aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. S.D.C.J. Verheezen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde
publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.