[verzoeker] , verzoeker,
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. D.S. Harhangi-Asarfi),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Inleiding
1. Bij besluit van 18 juni 2024 heeft verweerder de aanvraag van verzoeker tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond van Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Verzoeker heeft tegen dat besluit beroep ingesteld. Het beroep is bij uitspraak van 22 juli 2024 ongegrond verklaard.
Op 13 augustus 2024 is aan verzoeker kenbaar gemaakt dat hij op 16 september 2024 zal worden overgedragen aan Kroatië.
Verzoeker heeft op 14 augustus 2024 een opvolgende asielaanvraag ingediend. Deze aanvraag is met het besluit van 4 september 2024 niet in behandeling genomen, omdat Kroatië (nog steeds) verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van verzoeker. Verzoeker heeft op 11 september 2024 beroep (NL24.35586) ingesteld tegen dit besluit en om een voorlopige voorziening verzocht met het doel zijn beroep in Nederland te kunnen afwachten. Verweerder heeft een reactie ingediend op dit verzoek.
De voorzieningenrechter heeft bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft.
Beoordeling door de rechtbank
Spoedeisend belang
2. De voorzieningenrechter kan op verzoek een voorlopige voorziening treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist en kan als partijen daardoor niet in hun belangen worden geschaad ook uitspraak doen zonder dat partijen worden uitgenodigd voor een zitting. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
3. Verweerder heeft zich primair op het standpunt gesteld dat er geen spoedeisend belang is, omdat er geen sprake is van een gedwongen overdracht. Dit betekent dat in het geval verzoeker niet mee wenst te werken aan de geplande overdracht deze niet op dat moment alsnog zal worden afgedwongen. De voorzieningenrechter ziet echter aanleiding om spoedeisend belang aan te nemen, omdat verzoeker – als hij nu niet meewerkt aan zijn overdracht – binnen afzienbare tijd alsnog gedwongen kan worden overgedragen. Deze mogelijkheid is in dit geval niet onaannemelijk, nu de overdrachtstermijn nog maar kort is en tot 19 september 2024 loopt. Bovendien heeft de weigering om medewerking te verlenen gevolgen voor de rechtspositie van verzoeker, nu deze maakt dat hij makkelijker in bewaring kan worden gesteld. Dit omdat het gebrek aan medewerking ten grondslag kan worden gelegd aan een bewaringsmaatregel. De voorzieningenrechter acht het voorts in strijd met de systematiek van de Vreemdelingenwet 2000 en de Dublinverordening om een betrokkene te dwingen zijn medewerking aan de uitvoering van een overdrachtsbesluit te onthouden voordat hij toegang kan krijgen tot de mogelijkheid om dat overdrachtsbesluit te laten schorsen in afwachting van een oordeel in de bodemprocedure. Ten overvloede wijst de voorzieningenrechter ten slotte op het feit dat schorsing van het overdrachtsbesluit en daarmee opschorting van de overdrachtstermijn ook in het belang kan zijn van verweerder als deze termijn bijna afloopt en weinig tijd resteert om een mogelijk noodzakelijke gedwongen overdracht alsnog te realiseren.
Belangenafweging
4. Gelet op de vragen die de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) aan verweerder heeft gesteld over de opvangvoorzieningen in Kroatië, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Verweerder heeft het standpunt ingenomen dat met de antwoorden die in de procedure bij de Afdeling zijn geformuleerd, duidelijk is dat ten aanzien van Kroatië nog steeds van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. De voorzieningenrechter is van oordeel dat deze rechtsvraag zich niet leent voor beantwoording in deze spoedprocedure en zal daarom volstaan met een belangenafweging. Mede gelet op de aard en de gevolgen van het overdrachtsbesluit vindt de voorzieningenrechter dat verzoekers belang om de behandeling van zijn beroep in Nederland af te wachten zwaarder weegt dan het belang van verweerder om verzoeker op 16 september 2024 over te dragen aan de Kroatische autoriteiten. Daarbij betrekt de voorzieningenrechter dat met het treffen van de verzochte voorziening de termijn om verzoeker over te dragen wordt opgeschort. In zoverre wordt verweerder niet onredelijk in zijn belangen geschaad.
Conclusie en gevolgen
5. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. Dit betekent dat verzoeker niet mag worden overgedragen aan Kroatië totdat op zijn beroep met het zaaknummer NL24.35586 is beslist. Verweerder moet de proceskosten van verzoeker vergoeden. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht 2024 vastgesteld op € 875,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, met een waarde van € 875,- per punt, wegingsfactor 1).
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;
- bepaalt dat verzoeker niet mag worden overgedragen totdat op het beroep is beslist;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 875,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. L.L. Hol, griffier.
De beslissing is telefonisch aan partijen medegedeeld op 13 september 2024.
Deze uitspraak is verzonden op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.