[eiseres], v-nummer [nummer], eiseres
(gemachtigde: mr. M. Stoetzer-van Esch),
en
de minister van Asiel en Migratie .
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiseres heeft ingesteld, omdat de minister volgens haar niet op tijd heeft beslist op de aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor verblijf als familie- of gezinslid in het kader van artikel 8 van het EVRM. De minister heeft ondanks een uitdrukkelijk verzoek van de rechtbank geen verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.
Beoordeling door de rechtbank
Is het beroep van eiseres ontvankelijk en gegrond?
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd op een aanvraag beslist, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene schriftelijk aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog moet worden beslist op zijn aanvraag (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na twee weken nog steeds geen besluit is genomen, dan kan de betrokkene beroep instellen.
Een beroep tegen het niet tijdig beslissen op een aanvraag houdt naar zijn aard in dat eiseres zich niet kan verenigen met het niet binnen de beslistermijn nemen van een besluit op de aanvraag. Als eiseres daarbij geen nadere beroepsgronden indient en uit het dossier blijkt wanneer de aanvraag en de ingebrekestelling zijn ingediend, kan de rechtbank daarom in elk geval uitspraak doen over de vraag of de beslistermijn is verstreken en stuurt de rechtbank dus geen herstelverzuimbrief om de beroepsgronden aan te vullen.
Het beroep is ontvankelijk en gegrond. De aanvraag is gedateerd op 13 november 2023. Uit de door de minister overgelegde stukken blijkt niet wanneer de aanvraag is ontvangen. De rechtbank gaat daarom uit van de datum vermeld op de aanvraag. De minister moet uiterlijk binnen 90 dagen na ontvangst van de aanvraag beslissen. De minister heeft deze termijn met drie maanden verlengd. Eiseres heeft de minister na het verstrijken van die termijn in gebreke gesteld. Vervolgens is na meer dan twee weken na de ingebrekestelling beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag.
Welke beslistermijn legt de rechtbank aan de minister op?
3. Als de minister niet op tijd heeft beslist, moet de rechtbank een termijn van twee weken opleggen. In bijzondere gevallen of als dat voor de naleving van andere wettelijke voorschriften nodig is, kan de rechtbank een andere termijn opleggen.
Bij aanvragen om gezinshereniging bij een houder van een asielvergunning is sprake van een bijzonder geval. De rechtbank ziet geen grond om daar in deze zaak anders over te oordelen. In haar uitspraak van 17 maart 2023 heeft de rechtbank uitgangspunten voor een passende beslistermijn geformuleerd die zij ook zal toepassen in andere bij de rechtbank aanhangige zaken waarin de minister niet op tijd beslist op een aanvraag om gezinshereniging bij een houder van een asielvergunning.
De rechtbank ziet – zoals zij eerder heeft geoordeeld – in het feit dat de minister per 15 januari 2024 het ‘first in first out-principe’ hanteert, geen aanleiding om van deze uitgangspunten af te wijken of de behandeling van het beroep aan te houden.
De rechtbank stelt daarom - ook in dit geval - een termijn vast die overeenstemt met de in de uitspraak van 17 maart 2023 geformuleerde uitgangspunten. De stand van zaken valt niet af te leiden uit de door partijen ingediende stukken. De rechtbank vindt het passend om te bepalen dat de minister binnen een termijn van vier weken na verzending van de uitspraak moet beslissen, tenzij hij binnen deze termijn gelegenheid tot herstel van verzuim(en) biedt. In dat geval moet hij binnen acht weken een besluit op de aanvraag bekendmaken. Als de minister binnen vier weken na de dag van verzending van de uitspraak eiseres schriftelijk meedeelt dat hij heeft beslist tot nader onderzoek, bedraagt de beslistermijn zestien weken. Als de minister gelegenheid tot herstel van verzuimen biedt en hij binnen de beslistermijn van acht weken eiseres schriftelijk meedeelt dat hij heeft beslist tot nader onderzoek moet het besluit binnen twintig weken na verzending van deze uitspraak bekend worden gemaakt.
Welke dwangsom legt de rechtbank aan de minister op?
4. De rechtbank moet aan haar uitspraak een dwangsom verbinden. Van die verplichting kan de rechtbank in bijzondere gevallen afwijken. Hier is sprake van een dergelijk bijzonder geval. Aanvragen kunnen inhoudelijk zodanig met elkaar samenhangen, dat een redelijke toepassing van het opleggen van een dwangsom met zich meebrengt dat aan het bestuursorgaan slechts één rechterlijke dwangsom wordt opgelegd. In dit geval bestaat samenhang tussen de zaak van eiseres en de zaak met zaaknummer NL24.22309, omdat het in beide gevallen mvv-aanvragen betreft voor gezinsleden van dezelfde referent die zijn ingediend binnen een zeer kort tijdsbestek. Dat maakt dat hier sprake is van een bijzonder geval. De rechtbank legt in dit beroep daarom geen aparte rechtelijke dwangsom op, omdat er al een rechterlijke dwangsom is opgelegd in de uitspraak van 24 juli 2024.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt en de minister de onder 3.2 genoemde termijnen krijgt om alsnog een besluit te nemen.
Omdat er sprake is van samenhang hoeft de minister niet opnieuw de proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.P.C.G. Derksen, rechter, in aanwezigheid van
L. Beijerinck, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.