RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.44822
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. F. Boone),
en
Procesverloop
Verweerder heeft op 8 oktober 2024 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek op 21 november 20224 gesloten.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1999 en de Algerijnse nationaliteit te hebben.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 17 oktober 2024 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek (16 oktober 2024) dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu alleen ter beoordeling of sinds 16 oktober 2024 de maatregel van bewaring rechtmatig is.
4. Eiser voert aan dat uit de voortgangsrapportage volgt dat eiser op 14 november 2024 niet is gepresenteerd, omdat hij daaraan niet meewerkte. Eiser stelt dat zonder presentatie de Algerijnse autoriteiten waarschijnlijk geen laissez-passer (LP) zullen afgeven. Er is daarom sprake is van een patstelling en geen zicht op uitzetting.
5 Deze beroepsgrond slaagt naar het oordeel van de rechtbank niet. Dat er tot op heden nog geen reactie van de Algerijnse autoriteiten op de lp-aanvraag is ontvangen of nog geen presentatie heeft kunnen plaatsvinden omdat eiser hieraan niet wil meewerken, maakt niet dat in eisers geval het zicht op uitzetting ontbreekt. In dat kader weegt de rechtbank verder mee dat eiser geen invulling wil geven aan zijn meewerkplicht. Eiser beschikt niet over documenten om terug te keren naar Algerije en eiser heeft ook geen stappen ondernomen om dergelijke documenten te verkrijgen. Verweerder heeft daarom een presentatie van eiser gepland aan de Algerijnse autoriteiten. Eiser heeft hieraan niet meegewerkt. Uit de vertrekgesprekken van 31 oktober en 14 november 2024 volgt dat eiser consequent heeft verklaard niet te willen terugkeren naar Algerije. Gelet op het feit dat op eiser een plicht rust om in het kader van zijn terugkeer zijn volledige en actieve medewerking te verlenen, is de rechtbank van oordeel dat eventuele vertraging in het proces voor rekening en risico van eiser zelf is, maar niet tot gevolg heeft dat er geen zicht meer zou zijn op uitzetting.
6. De rechtbank ziet ook overigens geen aanleiding voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring onrechtmatig is.
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 21 november 2024 door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. S.D.C.J. Verheezen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.