2. ECLI:EU:C:2023:934.
Conclusie en gevolgen
3 ECLI:EU:C:2023:934, r.o. 124 en beantwoording van de derde vraag.
plaatsgevonden. Eiser heeft in dat gehoor verklaard over Bulgarije en Kroatië en zijn contact met de autoriteiten van die landen. Over Kroatië heeft eiser onder meer verklaard dat hij een half uur na aankomst in Kroatië is opgepakt door de politie, waarna zijn vingerafdrukken zijn geregistreerd en dat de autoriteiten hem vervolgens een lift hebben gegeven naar de bushalte en hem hebben uitgezwaaid. Ook heeft eiser zijn bezwaren tegen overdracht aan Bulgarije naar voren gebracht. Op 13 december 2023 heeft eiser een voornemen gekregen, waarin staat dat is gebleken dat niet Bulgarije, maar Kroatië de verantwoordelijke lidstaat is. Eiser heeft vervolgens in de zienswijze zijn bezwaren tegen overdracht aan Kroatië kenbaar kunnen maken. Er is daarom geen sprake van een onzorgvuldige voorbereiding van het besluit. Eiser heeft daarna ook in beroep en op de zitting de gelegenheid gehad om bezwaren naar voren te brengen. Eiser heeft daar aanvullend verklaard dat hij in Kroatië een klap en een schop heeft gekregen van de politie. De rechtbank gaat niet zonder meer van die verklaring uit omdat eiser daarover niets verklaard heeft in het gehoor en evenmin in zijn zienswijze en de beroepsgronden. In het gehoor heeft eiser uitgebreid verklaard over de slechte behandeling die hij in Bulgarije heeft gekregen, maar zijn verklaring over Kroatië biedt geen enkel aanknopingspunt om te oordelen dat hij daar slecht is behandeld. Eisers aanvullende verklaring leidt dan ook niet tot een andere beoordeling van de verantwoordelijke lidstaat. Hetzelfde geldt overigens ook als eisers aanvullende verklaring wel juist zou zijn, omdat niet aannemelijk is dat eiser bij overdracht aan Kroatië als Dublinclaimant weer geslagen of geschopt zou worden. De Kroatische autoriteiten hebben immers toegezegd zijn asielaanvraag in behandeling te nemen in overeenstemming met de unierechtelijke regels.
De rechtbank is van oordeel dat de gang van zaken in eisers zaak in overeenstemming is met artikel 5 van de Dublinverordening en de jurisprudentie van het Hof van Justitie. De beroepsgrond slaagt niet.
Artikel 17 van de Dublinverordening
10. Eiser voert aan dat de staatssecretaris onvoldoende heeft gemotiveerd waarom in zijn ervaringen in Kroatië geen aanleiding is gezien om de asielaanvraag op grond van artikel 17 van de Dublinverordening in behandeling te nemen. Eiser verwijst daartoe naar de uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 10 november 20234 en 19 december 20235.
11. De rechtbank is van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat overdracht aan Kroatië in zijn geval onevenredig hard is. Eisers verklaringen over wat hij heeft meegemaakt zijn daarvoor onvoldoende. Er is niet gebleken dat eiser als Dublinclaimant na overdracht aan Kroatië vergelijkbare ervaringen zal hebben als waarvan sprake is in de aangevoerde uitspraken. De staatssecretaris heeft dit ook voldoende gemotiveerd. In het bestreden besluit is namelijk overwogen: “De aangevoerde omstandigheden hebben betrekking op de vraag of er concrete aanwijzingen zijn dat Kroatië zijn internationale verplichtingen niet nakomt. In dit besluit is al overwogen dat hiervoor geen concrete aanwijzingen zijn.” De staatssecretaris hoefde de asielaanvraag van eiser niet op grond van artikel 17 van de Dublinverordening aan zich te trekken. De beroepsgrond slaagt niet.
4. ECLI:NL:RBDHA:2023:18085.
5 ECLI:NL:RBDHA:2023:21350.
12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J. Valk, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
01 februari 2024
Documentcode: [documentcode]
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.