RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.49642
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. F. Boone),
en
(gemachtigde: mr. R. Hopman).
Procesverloop
Verweerder heeft op 26 oktober 2024 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
Desgevraagd heeft verweerder een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek op 19 december 2024 gesloten.
Overwegingen
1. Eiser stelt de Algerijnse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [datum] 1964.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 7 november 2024 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu, voor zover dat in beroep wordt aangevochten, ter beoordeling of sinds 6 november 2024 het voortduren van de maatregel van bewaring rechtmatig is.
4. Eiser voert aan dat er geen zicht is op uitzetting binnen redelijke termijn en verweerder werkt onvoldoende voortvarend aan het vertrek van eiser. Eisers nationaliteit is namelijk al eerder bevestigd, maar er is tot dusverre nog geen lp afgegeven. Verder is eisers identiteit mogelijk ook bevestigd. Indien eisers identiteit ook als bevestigd moet worden gezien, is het de vraag of een schriftelijke presentatie nog iets kan opleveren. Verweerder heeft bovendien niet op zaaksniveau gerappelleerd of een nieuwe presentatie gepland, terwijl dit wel mag worden verwacht gelet op de duur van het lp-traject.
De rechtbank oordeelt als volgt.
5. Allereerst zijn er geen aanknopingspunten dat zicht op uitzetting naar Algerije in algemene zin ontbreekt. Hierbij wordt verwezen naar een uitspraak van de Afdeling van 6 mei 2024 en 15 juli 2024. Verder heeft verweerder in het verweerschrift vermeld dat er van 1 januari 2024 tot en met 30 november 2024 in totaal 116 lp’s zijn afgegeven door de Algerijnse autoriteiten. Eiser heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat in zijn geval zicht op uitzetting ontbreekt. Dat er nog niet is gereageerd op de rappels, dat zijn nationaliteit al is bevestigd en dat het onduidelijk is of zijn identiteit ook is bevestigd is onvoldoende om op voorhand te kunnen concluderen dat de Algerijnse autoriteiten zullen weigeren een lp aan eiser te verstrekken.
6. Ook werkt verweerder voldoende voortvarend aan het vertrek van eiser. Er worden vertrekgesprekken gevoerd met eiser (het laatste vertrekgesprek is gevoerd op 5 december 2024) en er worden regelmatig rappels verzonden. Dat dit niet op zaaksniveau is gebeurd, maakt niet dat verweerder niet voldoende voortvarend handelt. Verweerder is ook afhankelijk van de Algerijnse autoriteiten en van de medewerking van eiser zelf. Nu eiser geen inspanningen heeft verricht om documenten te verkrijgen of om de afgifte van een lp te bespoedigen, komt de langere duur van zijn bewaring ook voor het risico van eiser.
7. Tot slot leidt ook de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 19 december 2024 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. E.C. Jacobs, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.