ECLI:NL:RBDHA:2024:22060

ECLI:NL:RBDHA:2024:22060, Rechtbank Den Haag, 24-12-2024, NL24.50507

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 24-12-2024
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer NL24.50507
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Middelburg
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 2 zaken
Aangehaald door 4 zaken
2 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0011823 BWBR0011825

Samenvatting

Bewaring ex. Artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vw. Maatregel gaat in op een later moment. Ondertekening rechtsgeldig. Gronden betwist. Lichter middel en persoonlijke omstandigheden. Zicht op uitzetting naar Marokko. Beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL24.50507

V-nummer: [V-nummer],

(gemachtigde: mr. P.R.L.V.M. Kruik),

en

(gemachtigde: [gemachtigde]).

Procesverloop

Bij besluit van 17 december 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

Eiser heeft ingestemd met schriftelijke afdoening van het beroep. Eiser heeft op 20 december 2024 gronden van beroep ingediend. Verweerder heeft op 23 december 2024 een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft het onderzoek op 24 december 2024 gesloten.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1981 en de Marokkaanse nationaliteit te hebben.

Maatregel van bewaring

2. De eerder aan eiser opgelegde maatregel van bewaring van 13 november 2024 is opgeheven op 13 december 2024, omdat eiser strafrechtelijk is gedetineerd. Tijdens deze vrijheidsbeneming is eiser op 17 december 2024 gehoord op het voornemen om aan hem de maatregel van bewaring op te leggen. Aansluitend is aan eiser de maatregel uitgereikt. In het besluit tot het opleggen van de maatregel is bepaald dat deze ingaat op 18 december 2024 om 08:00 uur.

3. Eiser voert aan dat de maatregel van bewaring van meet af aan onrechtmatig is, omdat het besluit is genomen en uitgereikt op 17 december 2024, terwijl de maatregel luidt dat deze is opgelegd op 18 december. Eiser moest en moet weten waar hij en toe is. De rechtbank volgt eiser hierin niet. De rechtbank stelt allereerst vast dat eiser middels een M122 is geïnformeerd over het feit dat hij zal worden overgebracht naar een plaats bestemd voor gehoor en dat aan eiser tijdens het gehoor op 17 december 2024 is uitgelegd waarom het gesprek op 17 december 2024 heeft plaatsgevonden en wanneer de maatregel van bewaring zal ingaan. Daarnaast moet het besluit tot het opleggen van de maatregel zo worden begrepen dat de tenuitvoerlegging van de maatregel op laatstgenoemd tijdstip ingaat. Er is geen rechtsregel die verbiedt dat aan een vreemdeling nog tijdens de vrijheidsbeneming op andere titel een besluit tot inbewaringstelling wordt uitgereikt onder de mededeling dat die maatregel direct aansluitend aan het eindigen van die eerdere vrijheidsbeneming ten uitvoer zal worden gelegd. In dit geval is daarnaast niet gesteld of gebleken dat zich in de periode tussen het nemen van de maatregel en de tenuitvoerlegging daarvan feiten of omstandigheden hebben voorgedaan die aan de tenuitvoerlegging van de maatregel in de weg zouden staan.

4. Eiser voert verder aan dat de digitale handtekening van de maatregel van bewaring niet kan worden geverifieerd en dat om die reden geen sprake is van een rechtsgeldige maatregel. De rechtbank heeft vastgesteld dat de maatregel van bewaring is voorzien van een rechtsgeldige digitale handtekening. De maatregel is op 17 december 2024 om 13:58 uur ondertekend. Er is sprake van een gedagtekende en ondertekende maatregel die voldoet aan de daaraan gestelde vereisten.

5. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;en als lichte gronden vermeld dat eiser:4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

6. Eiser betwist alle zware en lichte gronden. Eiser voert aan dat niet inzichtelijk is geworden op welke wijze eiser Europa is ingereisd. Dat eiser zijn paspoort en

identiteitskaart heeft verscheurd blijkt niet uit de stukken. Daarnaast wordt in de M110 verwezen naar eerdere bewaringsgehoren, terwijl die niet aan het dossier zijn toegevoegd. De maatregel is onzorgvuldig gemotiveerd. Eiser heeft zich daarnaast niet onttrokken aan het toezicht. Er is sprake van psychische problematiek zodat de zware grond 3b niet aan hem kan worden tegengeworpen. Daarnaast is niet bekend hoeveel tijd eiser zich heeft onttrokken aan het toezicht, nu eiser tussentijds wel degelijk in het zicht van de politie was in het kader van strafrechtelijke detentieperioden. Zware grond 3c kan ook niet aan eiser worden tegengeworpen vanwege zijn psychische problemen. Het is niet bekend in hoeverre eiser heeft begrepen dat er een terugkeerverplichting op hem rustte. Daarbij komt dat eiser in het gehoor over het opleggen van een terugkeerbesluit geen bijstand heeft gehad van een advocaat. Ook de zware grond 3i kan niet aan hem worden tegengeworpen. Tijdens het gehoor voorafgaand aan de huidige inbewaringstelling heeft hij contact gehad met de Marokkaanse autoriteiten, hier is echter niet op gereageerd. Ook in het ophoudingsgehoor heeft eiser deze medewerkingsbereidheid getoond en wederom in het vertrekgesprek.

7. De rechtbank is van oordeel dat in ieder geval de zware gronden 3a, 3b en 3c feitelijk juist zijn. Uit de uitspraak van de Afdeling van 25 maart 2020 volgt dat, om de zware gronden 3a, 3b, en 3c aan de maatregel ten grondslag te kunnen leggen, voldoende is dat deze gronden feitelijk juist zijn. Niet in geschil is dat eiser niet beschikt over een identificerend reisdocument voorzien van een geldig visum. Zware grond 3a is dan ook feitelijk juist. Ook de zware gronden 3b en 3c zijn feitelijk juist. Eiser heeft geen melding gemaakt van zijn onrechtmatig verblijf. Daarnaast is bij de afwijzing van zijn asielaanvraag op 25 juli 2022 een terugkeerbesluit opgelegd en is op 10 februari 2024 een aanvullend terugkeerbesluit opgelegd. De gestelde psychische problemen van eiser doen aan

de feitelijke juistheid van deze zware gronden niet af.

8. De rechtbank is van oordeel dat de zware gronden 3a, 3b en 3c reeds de conclusie

rechtvaardigen dat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken of de

voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure zal ontwijken of belemmeren. Deze

gronden kunnen de maatregel van bewaring naar het oordeel van de rechtbank dragen. Wat

is aangevoerd over de zware grond 3i en de lichte gronden behoeft daarom geen

bespreking meer.

Lichter middel en persoonlijke omstandigheden

9. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom geen lichter middel dan bewaring is toegepast. Er is sprake van medische en psychische problematiek en medicijngebruik. Daarnaast had verweerder uitdrukkelijk moeten vermelden welk lichter middel zij heeft beoordeeld.

10. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in de maatregel van bewaring afdoende heeft gemotiveerd waarom niet kon worden volstaan met de toepassing van een lichter middel. Dat verweerder niet specifiek heeft vermeld welk lichter middel zij heeft beoordeeld maakt de maatregel van bewaring niet onrechtmatig. Verweerder heeft namelijk wel degelijk gemotiveerd waarom hij geen aanleiding heeft gezien voor het toepassen van een lichter middel in zijn algemeenheid, ook gelet op de persoonlijke omstandigheden van eiser.

Zicht op uitzetting

11. Eiser voert aan dat er geen zicht op uitzetting is naar Marokko binnen een redelijke termijn. Eiser is dit jaar al voor de vierde keer in bewaring gesteld en hij en verweerder wachten kennelijk al sinds 14 februari 2024 tevergeefs op antwoord van de Marokkaanse autoriteiten. Eiser verwacht niet dat de Marokkaanse autoriteiten voor eiser een laissez-passer (lp) zullen afgeven.

12. Anders dan eiser stelt, is de rechtbank van oordeel dat er geen aanknopingspunten zijn voor het oordeel dat het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ten aanzien van Marokko in het algemeen, of in het bijzonder van eiser, is komen te ontbreken. Het enkele feit dat verweerder sinds de indiening van de LP-aanvraag nog geen reactie heeft ontvangen van de Marokkaanse autoriteiten, is hiervoor onvoldoende. Uit de in het dossier opgenomen verslagen van de vertrekgesprekken blijkt bovendien dat eiser niet zijn volledige medewerking verleent aan de terugkeer naar Marokko.

Ambtshalve toetsing

13. Tot slot leidt ook de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig

moment onrechtmatig was.

Conclusie

14. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan op 24 december 2024 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. N.M.L. van der Kammen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. M.L. Weerkamp

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?