ECLI:NL:RBDHA:2024:22167

ECLI:NL:RBDHA:2024:22167, Rechtbank Den Haag, 23-12-2024, NL24.48090

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 23-12-2024
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer NL24.48090
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Arnhem
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 6 zaken
Aangehaald door 3 zaken
2 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0011823 BWBR0012287

Samenvatting

volgberoep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 december 2024 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

de minister van Asiel en Migratie,

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL24.48090

(gemachtigde: mr. H. Palanciyan),

en

(gemachtigde: mr. E. Özel).

Procesverloop

De minister heeft op 9 september 2024 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.

Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.

De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.

De rechtbank heeft het beroep op 17 december 2024 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht van afmelding, niet verschenen. De minister is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw 2000 het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.

2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraken 23 september 2024 en 14 november 2024 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraken ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu alleen ter beoordeling of sinds het moment van het sluiten van het onderzoek in de vorige beroepsprocedure, op 11 november 2024, de maatregel van bewaring rechtmatig is.

3. Eiser wijst er op dat hij sinds 22 juni 2024 in vreemdelingenbewaring zit. De vreemdelingenbewaring is onderbroken door een strafrechtelijke detentie. Eiser voert aan dat de minister in de periode dat eiser in strafrechtelijke detentie zat, ook had moeten werken aan eisers uitzetting. Volgens eiser heeft de minister dit niet voldoende gedaan.

Deze beroepsgrond faalt. Zoals hierboven ook is benoemd, staat in deze procedure alleen ter beoordeling of de bewaring sinds 11 november 2024 rechtmatig is. Eiser zat van 23 augustus tot 9 september 2024 in strafrechtelijke detentie. Op 9 september 2024 is eiser op de huidige grondslag in bewaring gesteld. De rechtbank komt daarom niet toe aan de vraag of de minister in de periode van 23 augustus tot 9 september 2024 heeft voldaan aan zijn inspanningsverplichting voorafgaand aan de inbewaringstelling. Die periode valt buiten de te beoordelen periode.

4. Eiser voert verder aan dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan de uitzetting.

Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft op 14 november en 5 december 2024 een rappel gestuurd op de aanvraag om een laissez-passer (lp). Ook heeft de minister op 6 november en 5 december 2024 een vertrekgesprek met eiser gevoerd. Verder heeft de minister tijdens de zitting toegelicht dat de landvertegenwoordiger deze week met het consulaat in gesprek gaat, om de wachtende, opgestarte lp-trajecten te bespreken. Het lp-traject van eiser valt daar ook onder. De rechtbank oordeelt dat de minister daarmee voldoende voortvarend heeft gewerkt aan eisers uitzetting.

5. In de beroepsgronden is verder het volgende opgenomen.

“De terugkeermedewerker heeft eiser gevraagd of hij goed contact heeft met zijn advocaat. Hij heeft gevraagd hoe vaak zijn advocaat hem doorgaans bezoekt, en of de advocaat beroep instelt. De medewerker zou zelf niets kunnen doen. Eiser is een laagopgeleide man, het lijkt ondergetekende sterk dat eiser deze vragen zelf plots heeft bedacht. Graag verneemt ondergetekende van verweerder of deze vragen daadwerkelijk zijn gesteld en wat de bedoeling is geweest. Thans is eiser onder de verkeerde veronderstelling dat de rechtbank de bewaring opheft als de advocaat een brief stuurt. Is er sprake van een soort erkenning dat de verweerder verkeerd zit en dat de rechter de fout wel herstelt? Dat is namelijk het beeld dat verweerder schetst. Het zijn drukke tijden in het detentiecentrum in Rotterdam. Als verweerder het niet redt, dan kan verweerder ervoor kiezen om de bewaring op te heffen en zichzelf te ontlasten. Mocht daar geen sprake van zijn, dan mag verweerder geen verwarrende vragen stellen en onrealistische verwachtingen wekken.”

Het is voor de rechtbank niet duidelijk wat eiser hiermee bedoelt. Dat was voor de rechtbank ook de aanleiding om het vervolgberoep op zitting te agenderen, zodat hierop een toelichting zou kunnen worden gegeven. Dat is er alleen niet van gekomen, omdat eiser en zijn gemachtigde niet zijn verschenen. Voor zover eiser bedoelt te betogen dat hem is toegezegd dat de bewaring wordt opgeheven, slaagt dit niet. Van een dergelijke toezegging is namelijk niet gebleken. Uit de verslagen van 11 november en 5 december 2024 blijkt niet dat een dergelijke toezegging is gedaan. Verder heeft de minister tijdens de zitting toegelicht dat contact is opgenomen met de regievoerder, die heeft aangegeven dat een dergelijke toezegging niet is gedaan.

6. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregelen niet is voldaan.

7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.C. Kleijberg, rechter, in aanwezigheid van

mr. L.G.C. Lelifeld, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. J.M.C. Kleijberg

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?