RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] ,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.48106
V-nummer: [nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. A.W.J. van der Meer),
en
(gemachtigde: mr. K.J. Diender).
Procesverloop
Bij besluit van 3 december 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 10 december 2024 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser betwist de rechtmatigheid van de maatregel, omdat de toepassing daarvan in zijn ogen prematuur is geweest. Eiser was nog in afwachting van de uitkomst van zijn asielprocedure. Verder bevat het proces-verbaal Model M105, Proces-verbaal staandehouding/ overbrenging/ophouding enkele onvolkomenheden en is eiser enige tijd zonder geldige titel van zijn vrijheid beroofd, omdat de ophouding om 11.40 uur is beëindigd en de maatregel van bewaring pas om 11.55 uur is opgelegd. Ook stelt eiser dat verweerder niet aan zijn informatieplicht heeft voldaan door niet schriftelijk in een taal die hij verstaat de gronden van de maatregel uit te leggen.
2.1
In artikel 50a, eerste lid, van de Vw is, voor zover van belang, bepaald dat de ambtenaren belast met de grensbewaking en de ambtenaren belast met het toezicht op vreemdelingen, bevoegd zijn een vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder f tot en met h en m staande te houden, over te brengen naar een plaats bestemd voor verhoor en aldaar op te houden, indien dit nodig is voor de voorbereiding van een besluit omtrent inbewaringstelling van de vreemdeling op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder b, 59a of 59.
2.2
De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat eiser als Dublinclaimant rechtmatig verblijf had en dat de Dublinverordening op hem van toepassing was. Verweerder achtte het – gezien de naderende uiterste overdrachtsdatum (15 december 2024) – nodig dat eiser zou worden overgedragen aan Kroatië. Verdere eisen stelt artikel 50a, eerste lid, van de Vw niet. Er is dan ook geen sprake van dat de procedure tot inbewaringstelling prematuur is uitgevoerd. Dat eiser nog in afwachting was van de uitkomst van zijn asielprocedure doet hier niet aan af, nu hij niet voor de uiterste uitspraakdatum is overgedragen.
2.3
Eiser heeft wel terecht gewezen op het feit dat in het Model M105 niet is aangegeven op welke wijze zijn identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie is vastgesteld. De rechtbank is echter van oordeel dat de ernst van dit gebrek niet opweegt tegen de belangen die met de bewaring gediend zijn. Hiervoor is in de eerste plaats van belang dat eiser niet heeft aangegeven op welke wijze hij door het gebrek in zijn belang is geschaad. Overigens merkt de rechtbank nog op dat in het Model M105 is vermeld dat eiser voorafgaand aan de staandehouding werd herkend aan de hand van een foto uit de infoset van DT&V.
2.4
De vermelding dat eiser om 11.55 uur is aangekomen in het detentiecentrum Rotterdam, welke vermelding bij proces-verbaal van 5 december 2024 is gecorrigeerd naar 09.55 uur, maakt evenmin dat sprake is van een zwaarwegend gebrek als gevolg waarvan de daaropvolgende inbewaringstelling onrechtmatig moet worden geacht. Hierbij is eveneens van belang dat eiser niet heeft aangevoerd op welke wijze hij in zijn belang is geschaad. In dit verband is voor de rechtbank van belang dat vaststaat dat de ophouding niet langer dan zes uur heeft geduurd.
2.5
Anders dan eiser is de rechtbank verder van oordeel dat er geen sprake van is dat hij enige tijd zonder geldige titel van zijn vrijheid is beroofd. In het Model M105 staat over de beëindiging van de ophouding het volgende vermeld:
“Op dinsdag 3 december 2024, omstreeks 11:40 uur is de vrijheidsbeneming op grond van artikel 50 dan wel artikel 50a Vw beëindigd/ opgeheven, omdat:
[X] betrokkene in bewaring is gesteld.”
Hieruit leidt de rechtbank af dat de ophouding heeft moeten voortduren tot het moment van oplegging van de bewaring. De maatregel van bewaring is om 11.55 uur opgelegd.
Het is daarom aannemelijk dat het tijdstip van 11.40 uur een inschatting is geweest van het tijdstip waarop de maatregel daadwerkelijk zou worden opgelegd. De rechtbank overweegt verder dat uit het Model M105, het proces-verbaal van gehoor voorafgaand aan de bewaring en de maatregel van bewaring in samenhang gelezen, voldoende duidelijk blijkt dat de ophouding in ieder geval niet langer dan de maximale duur van zes uur kan hebben geduurd.
Eisers beroepsgrond slaagt daarom niet.
3.1.
Het is niet in geschil dat niet is voldaan aan de informatieplicht van artikel 5.3 van het Vreemdelingenbesluit (Vb). Uit het dossier blijkt namelijk niet dat eiser, in een taal die hij verstaat of waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat hij deze verstaat, schriftelijk op de hoogte is gebracht van de specifieke redenen van het opleggen van de maatregel. Uit het dossier blijkt wel dat verweerder aan eiser een informatiefolder in de Arabische taal heeft uitgereikt, maar het is de rechtbank ambtshalve bekend dat deze folder vooralsnog enkel algemene informatie over het fenomeen vreemdelingenbewaring bevat, en geen informatie geeft welke specifieke gronden op eisers bewaring van toepassing zijn. Daarmee wordt naar het oordeel van de rechtbank niet voldaan aan artikel 5.3 van het Vb en evenmin aan de vereisten als vermeld in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 15 november 20231 (https://tabula.rechtspraak.minjus.nl/BeherenUitspraken/InzienUitspraaktekstEnMetagegevens/ECLI-NL-RBAMS-2024-7919).
3.2.
Dit gebrek maakt het voortduren van de bewaring niet zonder meer onrechtmatig, daarvoor is een belangenafweging noodzakelijk. De Afdeling heeft in dit verband in een andere zaak geoordeeld2 (https://tabula.rechtspraak.minjus.nl/BeherenUitspraken/InzienUitspraaktekstEnMetagegevens/ECLI-NL-RBAMS-2024-7919) dat verweerder nog een termijn van zes maanden moet worden gegund, te rekenen vanaf het moment van die uitspraak (24 juli 2024), om zijn werkwijze in overeenstemming te brengen met de eisen uit artikel 5.3 van het Vb.
3.3.
De rechtbank is van oordeel dat ook in dit geval de belangenafweging niet meebrengt dat de bewaring onrechtmatig moet worden geacht. Niet gebleken is dat eiser inhoudelijk is benadeeld door de gang van zaken, aangezien met hem in het gehoor voor de inbewaringstelling met behulp van een tolk Arabisch is besproken op welke gronden hij in bewaring zou worden gesteld, zodat hij daarover is geïnformeerd. Ook is eiser toen meegedeeld dat hij daartegen kosteloos beroep kon instellen. Aan eiser is voorts een advocaat toegekend die namens hem beroep heeft ingediend. Eiser is dus op de hoogte gebracht van de redenen van de inbewaringstelling en heeft hij gebruik kunnen maken van de hem toekomende procedurele rechten. Het gebrek maakt de bestreden maatregel daarom niet onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt dus evenmin.
4.1
In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vb, als zware gronden vermeld dat eiser:3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;3m. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en onmiddellijke overdracht of overdracht op zeer korte termijn noodzakelijk is ten behoeve van het realiseren van de overdracht binnen zes maanden na het akkoord van de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;en als lichte gronden vermeld dat eiser:4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Eiser heeft de hiervoor genoemde gronden onder 3k, 4a, 4c en 4d gemotiveerd betwist. Verweerder heeft de grond onder 3m ter zitting laten vervallen.
4.2
Anders dan eiser stelt, is het niet zonder meer inherent aan asielzoekers dat zij niet beschikken over reis- of identiteitsdocumenten. Verweerder heeft verder in de maatregel toegelicht dat eiser door niet te voldoen aan de op hem rustende wettelijke verplichting tot het beschikken van een document zoals bedoeld in artikel 4.21 van het Vb en (niet) te voldoen aan de op hem rustende wettelijke verplichting voor periodieke aanmelding, heeft laten zien dat hij zich aan het toezicht op vreemdelingen onttrekt en elke vorm van voorbereiding terugkeer of verwijderingsprocedure ontwijkt of belemmert. Dit is verder door eiser niet betwist. Gelet hierop kan de grond onder 4a aan eiser worden tegengeworpen.
4.3
De niet betwiste grond onder 3a en de grond onder 4a kunnen, ingevolge het bepaalde in artikel 5.1b, tweede lid, van het Vb 2000, de maatregel in beginsel dragen. Mede gezien de daarbij gegeven toelichting van verweerder kan reeds hierom worden geoordeeld dat sprake was van een significant risico op onderduiken. De overige betwiste gronden behoeven daarom geen bespreking.
5. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel. Zoals hierboven is geoordeeld, kan uit de gronden die ten grondslag zijn gelegd aan de maatregel een significant risico op onderduiken worden afgeleid. Door eiser zijn verder geen feiten en omstandigheden aangevoerd op grond waarvan, in weerwil van de gronden van de maatregel, toch aannemelijk kan worden geacht dat eiser zich niet aan het toezicht zal onttrekken. De enkele stelling dat hij zal meewerken aan de overdracht is, gelet op het significante risico op onttrekking, vooralsnog onvoldoende voor een ander oordeel. Dat eiser negen dagen voor de geplande overdracht in bewaring is gesteld, is ook niet disproportioneel te noemen3 (https://tabula.rechtspraak.minjus.nl/BeherenUitspraken/InzienUitspraaktekstEnMetagegevens/ECLI-NL-RBAMS-2024-7919). Verder is niet gebleken dat de oplegging en voortduring van de bewaring onevenredig bezwarend moet worden geacht.
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, rechter, in aanwezigheid van
M.R. van Kerkwijk, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
1ECLI:NL:RVS:2023:4180.
2ECLI:NL:RVS:2024:2979.
3Zie in dit verband ook ECLI:NL:RVS:2022:727.