[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. P. de Casparis),
en
de staatssecretaris van Defensie, verweerder
(gemachtigde: mr. B. Quadackers).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn verzoek om toekenning van de Toelage Overbrugging Salaristabel (TOS).
Met het besluit van 23 november 2022 (het primaire besluit I) heeft verweerder het rekest van eiser waarin hij verzoekt om toekenning van de TOS afgewezen. Met het besluit van 12 januari 2023 (het primaire besluit II) heeft verweerder de loonstrook van eiser over de maand januari 2023 vastgesteld. Met het besluit van 22 januari 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder de door eiser tegen beide primaire besluiten gerichte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 25 november 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder, vergezeld door [naam 1] en [naam 2] .
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser is met ingang van 20 september 2021 aangesteld als militair bij het Commando Luchtstrijdkrachten (CLSK) in de rang van soldaat der derde klasse met de bestemming onderofficier Gevechtsleiding. Voor zijn opleiding is eiser geplaatst op de Koninklijke Militaire School Luchtmacht (KMSL) op Vliegbasis Woensdrecht. Het eerste deel van zijn initiële opleiding betrof de Algemene Militaire Opleiding (AMO), waarna hij op 24 januari 2022 is ingestroomd in de vaktechnische opleiding (VTO). Bij besluit van 28 december 2021 is eiser met ingang van 17 december 2021 bevorderd tot korporaal. Vanwege niet aan hem toe te rekenen opleidingsvertraging is aan eiser bij het besluit van 24 oktober 2022 met ingang van 20 september 2022 voor de duur van zijn opleiding de tijdelijke rang van sergeant toegekend. Bij besluit van 7 september 2023 is eiser met ingang van 26 juli 2023 geplaatst op zijn eerste functie als Surveillance Operator. Tevens is met dit besluit bepaald dat hij met ingang van 1 december 2022 effectief is bevorderd tot sergeant.
In het Arbeidsvoorwaardenakkoord 2021-2023 is voor Defensie voorzien in de realisatie van een nieuw loongebouw per 1 januari 2023. Omdat deze overgang aanvankelijk stond gepland op 1 juli 2022, heeft Defensie de Toelage Overbrugging Salaristabel in het leven geroepen. Hiermee werd beoogd om militairen ondanks de vertraagde implementatie van het nieuwe loongebouw in de tussenliggende zes maanden alvast voor de salarisverhogingen uit de nieuwe salaristabel in aanmerking te laten komen. Door de sociale partners is afgesproken dat leerlingen die nog in hun eerste initiële opleiding zitten worden uitgesloten van de toekenning van de TOS.
Bij rekest van 14 november 2022 heeft eiser verzocht om toekenning van de TOS met als reden dat zijn rang van sergeant geen opleidingsrang is. Verweerder heeft het verzoek afgewezen voor zover deze ziet op de periode van juli 2022 tot december 2022 omdat eiser toen nog de initiële opleiding volgde. Over de maand december 2022 heeft verweerder eiser de TOS wel toegekend omdat hij zonder vertraging met ingang van die maand effectief bevorderd zou zijn geweest tot sergeant. Verder heeft verweerder eiser naar aanleiding van het rekest met ingang van 1 januari 2023 in de reguliere salaristabel geplaatst.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser betoogt dat verweerder op grond van het gelijkheidsbeginsel de TOS ook over de periode van juli 2022 tot december 2022 aan hem had moeten toekennen. Het is hem namelijk bekend dat op twee verschillende momenten klasgenoten met als bestemming officier die na afronding van de Primaire Militaire Officiersopleiding (PMO) bij hem in de vaktechnische opleiding (VTO) terecht zijn gekomen en daaraan voorafgaand zijn bevorderd tot tweede luitenant, wel de TOS toegekend hebben gekregen. Enerzijds wordt door verweerder gesteld dat hierbij sprake is van een gemaakte fout, terwijl anderzijds wordt beargumenteerd dat de situatie van deze groep militairen niet vergelijkbaar is met de situatie van eiseres. Het is eiser daarom niet duidelijk welk standpunt verweerder op dit onderdeel inneemt.
Mocht verweerder zich in het kader van het beroep op het gelijkheidsbeginsel op het standpunt stellen dat sprake is van een gemaakte fout, dan wijst eiser erop dat het gaat om een grote groep militairen waarvan is besloten dat zij, ondanks hun status als initiële leerling, alsnog in aanmerking kwamen voor de TOS. Op grond van vaste rechtspraak moet dan alsnog worden aangenomen dat sprake is van een schending van het gelijkheidsbeginsel.
Voor zover verweerder zich op het standpunt stelt dat geen sprake is van gelijke gevallen, dan bestrijdt eiser dat. De twee groepen militairen waar hij naar heeft verwezen volgden op dat moment namelijk net als hij de initiële opleiding en waren net als hij geplaatst in de reguliere salaristabel.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser op grond van de afspraken uit het Arbeidsvoorwaardenakkoord 2021-2023 over de periode van 1 juli 2022 tot 1 december 2022 niet in aanmerking komt voor toekenning van de TOS. Vast staat namelijk dat hij in die periode nog de initiële opleiding volgde. De vraag die partijen verdeeld houdt, is of eiser op grond van het gelijkheidsbeginsel alsnog recht heeft op de TOS over de genoemde periode omdat klasgenoten van hem die de officiersopleiding hebben gevolgd ten tijde van hun initiële opleiding wel de TOS toegekend hebben gekregen.
Verweerder heeft toegelicht dat vrijwel gelijktijdig met het afsluiten van het Arbeidsvoorwaardenakkoord naar aanleiding van een uitspraak van de hoogste ambtenarenrechter is bepaald dat officieren die de Korte Officiersopleiding (KOO) hebben afgerond, voor aanvang van de VTO al worden bevorderd tot tweede luitenant om het onderscheid tussen de militair-wetenschappelijke opleiding (MWO) en de KOO weg te nemen. De rang van tweede luitenant kan echter niet worden ingepast in de opleidingstabel. Het gevolg hiervan was dat deze groep militairen nog ten tijde van de initiële opleiding op grond van de reguliere salaristabel zijn bezoldigd en daardoor ook in aanmerking kwamen voor de TOS. Op de zitting heeft verweerder toegelicht dat dit niet zozeer een gemaakte fout betreft, als wel een gevolg van voornoemde uitspraak. Over de groep vaandrigs heeft verweerder toegelicht dat dit doorstromers zijn en zij daarom, in tegenstelling tot eiser, niet in hun eerste initiële opleiding zaten. Zij hadden ook een salarisnummer die niet meer paste in een opleidingstabel. Daarom kwamen zij wel in aanmerking voor de TOS.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met deze uitleg afdoende toegelicht dat van gelijke gevallen hier geen sprake is. In tegenstelling tot de eerste groep officieren die naar aanleiding van de uitspraak van de hoogste ambtenarenrechter al voor de VTO werden bevorderd tot tweede luitenant, is eiser pas vanaf 1 december 2022 effectief bevorderd tot de rang van sergeant. In overeenstemming met de afspraken uit het Arbeidsvoorwaardenakkoord 2021-2023 heeft verweerder hem over die maand de TOS toegekend en hem vervolgens op 1 januari 2023 in de reguliere salaristabel geplaatst. Ten tijde van het volgen van de initiële opleiding was hij als korporaal echter nog ingedeeld in de opleidingstabel. De rechtbank vindt hiervoor steun in de brief van 7 september 2023, waarmee eiser met ingang van 26 juli 2023 de functie van Surveillance Operator werd
toegewezen. In die brief staat ook vermeld dat eiser met ingang van deze plaatsing volgens de reguliere salaristabel zal worden bezoldigd. Dat eiser op 20 september 2022 tijdelijk is bevorderd tot sergeant, doet niet af aan het feit dat hij destijds was geplaatst in de opleidingstabel. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank ook geen aanleiding om eiser overeenkomstig zijn verzoek op de zitting in de gelegenheid te stellen om bewijs te leveren voor de stelling dat hij ten tijde van het volgen van de initiële opleiding wel in de reguliere salaristabel was geplaatst. Hoewel de rechtbank begrijpt dat het voor eiser als onrechtvaardig kan voelen dat meerdere van zijn klasgenoten in de VTO wel de TOS hebben ontvangen, maakt dat niet dat verweerder gehouden is om hem in afwijking van het beleid alsnog de TOS toe te kennen.
Ook ten aanzien van de groep vaandrigs is de rechtbank van oordeel dat verweerder afdoende heeft toegelicht dat geen sprake is van gelijke gevallen en daarmee van schending van het gelijkheidsbeginsel geen sprake is. Eiser heeft zijn stelling dat deze vaandrigs, in afwijking van de uitleg van verweerder dat zij doorstromers waren, net als hij op dat moment hun eerste initiële opleiding volgden, niet aannemelijk gemaakt.
Bovenstaande in onderling verband bezien brengt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder het verzoek van eiser tot toekenning van de TOS voor zover deze ziet op de periode van juli 2022 tot december 2022 heeft mogen afwijzen.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is ongegrond. Verweerder hoeft het door eiser betaalde griffierecht niet te vergoeden. Voor een proceskostenvergoeding bestaat evenmin aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, rechter, in aanwezigheid van mr. R.J.P. Lindhout, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 december 2024.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.