[eiseres/verzoekster] , V-nummer: [v-nummer] , eiseres/verzoekster (hierna: eiseres)
(gemachtigde: mr. D. Schaap),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. Y. M. van der Lei).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag voor het verblijfsdoel ‘familie en gezin’. Ook beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening van eiseres.
Verweerder heeft de aanvraag van eiseres met het besluit (primaire besluit) van 1 juli 2022 afgewezen. Bij besluit van 25 maart 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft het beroep op 19 september 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, Y. He als tolk, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat de zaak over?
3. Eiseres is geboren op [datum] 1940 en heeft de Chinese nationaliteit. Zij wil bij haar twee meerderjarige dochters, [naam 1] en [naam 2] , verblijven. Zij is op 22 februari 2020 met een toeristenvisum naar Nederland gekomen. Vanwege het COVID-19 virus is de geldigheid van het visum van eiseres verlengd tot 21 augustus 2020. Op 25 maart 2022 heeft eiseres de nu voorliggende aanvraag gedaan.
4. Verweerder heeft de aanvraag van eiseres afgewezen omdat zij geen geldige mvv heeft en niet in aanmerking komt voor een vrijstelling daarvan. Ten eerste kan eiseres geen vrijstelling krijgen in verband met haar gezondheidssituatie. Uit het BMA advies van 12 februari 2024 is gebleken dat eiseres onder voorwaarden kan reizen en dat het uitblijven van een medische behandeling niet zal leiden tot een medische noodsituatie. Ten tweede kan eiseres geen vrijstelling van het mvv-vereiste krijgen in verband met familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. Tussen eiseres en haar twee meerderjarige dochters bestaat volgens verweerder namelijk geen meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie. Verweerder heeft zijn eigen belangen afgewogen tegen de belangen van eiseres en deze belangenafweging in het nadeel van eiseres laten uitvallen. Eiseres kan ook geen vrijstelling van het mvv-vereiste krijgen op grond van haar privéleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. Verweerder heeft ook hier de belangenafweging in het nadeel van eiseres laten uitvallen.
Wat vindt eiseres in beroep?
5. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit. Eiseres voert aan dat er wel degelijk sprake is van een volledige afhankelijkheid van haar dochters. Zij wordt dagelijks door hen verzorgd en krijgt ook emotionele steun van hen. Ook al zou er geen sprake zijn van exclusieve afhankelijkheid, dan kan verweerder niet volstaan met de conclusie dat er geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Eiseres vindt het niet begrijpelijk dat de zorg die de dochters aan haar verlenen, geen bijkomend element van afhankelijkheid is. Verder is de instelling waar verweerder in het BMA-advies naar verwijst niet toegankelijk voor eiseres. Zij kan deze dure instelling niet bekostigen. Daarnaast heeft verweerder geen rekening gehouden met het feit dat eiseres al langer dan vier jaar feitelijk in Nederland woont en door haar dochters wordt verzorgd en dat met name de afhankelijkheid in deze periode is ontstaan. Ook zijn de banden met het land van herkomst losser geworden nu haar man in 2021 is overleden. Eiseres doet verder een beroep op de hardheidsclausule, omdat het beleid onredelijk hard is. Ook is het besluit niet zorgvuldig voorbereid nu verweerder niet heeft gereageerd op het verzoek van eiseres om haar zaak voor te leggen aan het Multidisciplinair Team Schrijnende zaken. Verder had verweerder eiseres op grond van artikel 3.6ba, eerste lid van de Vb 2000 ambtshalve een verblijfsvergunning moeten verlenen. Tot slot verzoekt eiseres om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Bijkomende elementen van afhankelijkheid
6. Uit vaste rechtspraak van het EHRM volgt dat relaties tussen volwassen familieleden onder de bescherming van artikel 8 van het EVRM kunnen vallen, als er tussen hen bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan die de gebruikelijke emotionele banden overstijgen. Bij de beoordeling van de vraag of er tussen volwassen familieleden bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan, moet verweerder alle individuele omstandigheden van het geval betrekken. Zo kan van belang zijn de mate van financiële afhankelijkheid, de mate van emotionele afhankelijkheid, de medische omstandigheden, de banden met het land van herkomst en of de gezinsleden hebben samengewoond. Het is aan de betrokken vreemdeling om te stellen, en zoveel mogelijk te onderbouwen, uit welke feiten en omstandigheden de bijkomende elementen van afhankelijkheid zouden kunnen blijken. Het is vervolgens aan verweerder om te beoordelen of er daadwerkelijk bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan. Deze beoordeling is van feitelijke aard.
De bestuursrechter moet het onderzoek van verweerder naar de relevante feiten en omstandigheden en de door verweerder gegeven motivering voor het antwoord op de vraag of er familieleven bestaat in de zin van artikel 8 van het EVRM, als dit wordt betwist, volledig toetsen. Bij de weging van de elementen heeft verweerder beoordelingsruimte. De uitkomst van de beoordeling of er bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan, toetst de bestuursrechter daarom enigszins terughoudend.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder op grond van alle relevante feiten en omstandigheden heeft kunnen concluderen dat geen sprake is van familie-of gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. De rechtbank overweegt hierbij als volgt.
Ten aanzien van de (factoren) gezondheid en zorgafhankelijkheid heeft verweerder de medische stukken en het BMA advies betroken. Hieruit volgt dat eiseres niet onder actieve medische behandeling staat en er geen medicijnen worden voorgeschreven. Daarnaast volgt eiseres een niet reguliere behandelwijze bij een Niet-BIG-geregistreerde behandelaar. De dochters van eiseres, waarmee zij samenleeft, zorgen momenteel voor haar eten en daarnaast voor begeleiding bij het naar buiten gaan, omdat eiseres dat niet durft. Verweerder heeft deze omstandigheden terecht niet aangemerkt als bijkomende elementen die de gebruikelijke banden tussen meerderjarige kinderen en hun ouders overstijgen. Daarbij is van belang dat het begrijpelijk is dat eiseres een hechte band met haar dochters heeft en dat zij, dat gelet op haar hoge leeftijd (84 jaar), meer zorg nodig zal hebben. Maar met verweerder is de rechtbank van oordeel dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij meer dan gebruikelijk afhankelijk is van (de zorg) van haar dochters. Verweerder heeft hierbij kunnen betrekken dat uit het BMA-advies volgt dat bij het uitblijven van de zorg die nu door haar familie wordt gegeven, de verwachting is dat dit kan leiden tot een situatie waarin eiseres zich niet zelfstandig kan handhaven, maar dat in China instellingen bestaan waar eiseres deze (professionele) zorg kan krijgen. De stelling van eiseres dat deze zorg in China voor haar niet toegankelijk is, volgt de rechtbank niet. Eiseres heeft namelijk onvoldoende aangetoond hoe haar financiële situatie eruit ziet. De enkele verklaring dat zij 150 euro per maand ontvangt, is niet afdoende, nu eiseres heeft aangegeven dat zij haar hele leven heeft gewerkt in China en daar nog een woning heeft. Ook heeft eiseres aangevoerd dat zij financiële steun ontvangt van haar dochters. Niet is gebleken dat zij deze steun niet op afstand kunnen geven als eiseres in China verblijft. Dat de dochters de door het BMA genoemde instelling niet kunnen betalen, maakt het voorgaande niet anders. De genoemde kliniek is immers een voorbeeld van een instelling waar professionele zorg verkrijgbaar is en betekent niet dat er geen goedkopere alternatieven in China bestaan die eveneens de benodigde zorg kunnen verlenen. Verweerder heeft er ook op kunnen wijzen dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat er geen andere personen in China zijn die deze zorg kunnen verlenen. Zo heeft zij al eens eerder, in 2018, professionele zorg ingehuurd. Het is niet duidelijk waarom eiseres niet weer een beroep hierop kan doen. Dat zij eerder een slechte ervaring met zorg aan huis heeft gehad doet aan vorenstaande niet af en laat onverlet dat zij op zoek kan gaan naar de voor haar juiste zorg. Verweerder heeft terecht, onder verwijzing naar het BMA advies, inzichtelijk gemaakt dat er klinieken/verzorgingstehuizen/zorg aan huis door verpleegkundigen in China aanwezig zijn die de door eiseres benodigde zorg kunnen bieden. Verder heeft verweerder kunnen meewegen dat de dochters eerder beurtelings naar China zijn afgereisd om eiseres hulp te bieden. Niet is aannemelijk gemaakt dat dit niet weer zou kunnen. Ten aanzien van de samenwoning stelt de rechtbank met verweerder vast dat eiseres 80 jaar in China heeft gewoond. Zij is daarbij al lange tijd gescheiden geweest van haar dochters. Dat eiseres nu 4 jaar met hen samenwoont, legt dan ook onvoldoende gewicht in de schaal. Hoewel eiseres door het overlijden van haar man alleen terug moet keren naar China, maakt dat niet dat ze daar niet toe in staat wordt geacht.
Verweerder heeft gelet op het voorgaande deugdelijk gemotiveerd dat er tussen eiseres en haar dochters geen familieleven in de zin van artikel 8, eerste lid, van het EVRM bestaat. In die beoordeling zijn alle relevante individuele feiten en omstandigheden betrokken. Verweerder mocht daarom volstaan met de vaststelling dat er geen bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan. Dat betekent dat verweerder in dit geval geen belangenafweging hoefde te maken. Hoewel verweerder wel een belangenafweging heeft verricht, zal de rechtbank hier daarom niet op ingaan.
Hardheidsclausule
7. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op het voorgaande, niet is gebleken dat het besluit onredelijk hard is voor eiseres.
Schrijnendheid
8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor een ambtshalve verblijfsvergunning verleend had moeten worden. De stelling van eiseres dat haar echtgenoot in 2021 is overleden en dat zij de afgelopen jaar meer ouder ouderdomsklachten heeft gekregen, waardoor zij afhankelijk is geworden van haar dochters, heeft verweerder, gelet op wat hiervoor is overwogen, niet bijzonder genoeg hoeven vinden. Verder heeft eiseres geen andere feiten en omstandigheden naar voren gebracht dan die al zijn beoordeeld. De stelling van eiseres dat het besluit onzorgvuldig is omdat verweerder niet heeft gereageerd op het verzoek om de zaak voor te leggen aan het Multidisciplinair Team Schrijnende zaken, volgt de rechtbank niet. Ter zitting heeft verweerder verwezen naar IB 2019/81waaruit volgt dat een zaak enkel wordt voorgelegd als de beslismedewerker vindt dat de vreemdeling in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van schrijnende omstandigheden. Eiseres had uit het feit dat er niets is opgenomen in het bestreden besluit kunnen opmaken dat de beslismedewerker hier geen aanleiding voor heeft gezien.
Schadevergoeding
9. Eiseres heeft verzocht om toekenning van een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Uit vaste rechtspraak volgt dat de redelijke termijn voor een procedure over binnenkomst, verblijf en uitzetting van vreemdelingen in twee instanties in beginsel twee jaar bedraagt. De behandeling van het bezwaar mag in beginsel ten hoogste een half jaar duren en de behandeling van het beroep in beginsel ten hoogste anderhalf jaar. De redelijke termijn vangt aan op het moment waarop de staatssecretaris het bezwaarschrift heeft ontvangen. Als bij de rechtbank een beroep op schending van de redelijke termijn wordt gedaan, wordt de vraag of de redelijke termijn is overschreden beoordeeld naar de stand van de zaak op het moment van de uitspraak van de rechtbank, waarbij de duur van de totale procedure in ogenschouw wordt genomen.
Het bezwaarschrift is door verweerder ontvangen op 18 juli 2022, het bestreden besluit is van 24 maart 2024 en de uitspraak van de rechtbank is gedaan op 1 oktober 2024. Vanaf het indienen van het bezwaarschrift tot de uitspraakdatum is een periode van 2 jaar en ongeveer 2 maanden verstreken. De overschrijding van de redelijke termijn bedraagt dan ongeveer 2 maanden, zodat eiseres recht heeft op een vergoeding van immateriële schade van €500. De overschrijding van de redelijke termijn dient volledig aan de bezwaarfase te worden toegerekend.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
11. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt buiten zitting afgedaan en niet-ontvankelijk verklaard, nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit.
12. Het verzoek tot schadevergoeding wordt toegewezen.
13. Eiseres krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
-veroordeelt verweerder tot vergoeding van immateriële schade aan eiseres tot een bedrag van € 500;
-verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meijers, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. R.S. Ouertani, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.