Alimentatie
Beschikking op het op 10 augustus 2023 ingekomen verzoek van:
[de man] ,
de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
in rechte vertegenwoordigd door bewindvoerder [bewindvoerder] ,
advocaat: mr. M. Lindhout te Den Haag.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de vrouw] ,
de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. L. Rijsdam te Leiden.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
Op 25 oktober 2024 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
de man en [naam] namens de bewindvoerder van de man, vertegenwoordigd door hun advocaat;
de vrouw bijgestaan door haar advocaat.
Feiten
Partijen zijn gehuwd geweest van [datum 1] 1999 tot [datum 2] 2013.
Bij beschikking van deze rechtbank d.d. 1 november 2012 is – voor zover hier van belang – de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en is bepaald dat de man per [datum 2] 2013 aan de vrouw tot haar levensonderhoud zal uitkeren een bedrag van € 1.000,- per maand.
Bij beschikking van deze rechtbank d.d. 11 november 2014 is – voor zover hier van belang – bepaald dat de man in de periode van [datum 2] 2013 tot en met 30 april 2013 aan de vrouw tot haar levensonderhoud zal uitkeren een bedrag van € 845,- per maand en vanaf 1 mei 2013 € 940,- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, met dien verstande dat de reeds door de vrouw ontvangen bedragen ter zake van deze alimentatie voor zover die de betreffende gemelde bedragen overstijgen, niet behoeven te worden terugbetaald.
Als gevolg van de wijziging van rechtswege ingevolge artikel 1:402a van het Burgerlijk Wetboek (BW) bedraagt de door de man te betalen partneralimentatie nu € 1.209,38 per maand.
- Bij beschikking van 19 december 2022 van de kantonrechter te Den Haag is tot 1 januari 2028 een bewind ingesteld over de (toekomstige) goederen van [de man] wegens verkwisting of het hebben van problematische schulden, met benoeming van [bewindvoerder] maat van Bewindvoerder & Mentor t.h.o.d.n. Stabilum.
Verzoek en verweer
Het verzoek van de man luidt – met wijziging van de beschikking van deze rechtbank van 11 november 2014 – :
een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.
De vrouw voert verweer dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Beoordeling
Uit de overgelegde stukken en het behandelde ter zitting is gebleken dat partijen in 2012 zijn gescheiden. Bij de echtscheidingsbeschikking is bepaald dat de man per [datum 2] 2013 aan de vrouw een bedrag van € 1.000,- per maand aan partneralimentatie diende uit te keren. Bij beschikking van 11 november 2014 van deze rechtbank is dat bedrag iets verlaagd, namelijk naar € 845,- en vanaf 1 mei 2013 naar € 940,- per maand.
Ondanks het feit dat partijen gescheiden waren, is de gezamenlijke woning aangehouden. De vrouw is na de scheiding in deze woning blijven wonen en heeft sindsdien – met financiële hulp van haar dochter – alle eigenaarslasten van de woning, waaronder de onderhoudskosten, voor haar rekening genomen.
De man heeft de partneralimentatie nooit betaald. Het LBIO is in ieder geval betrokken geweest in 2014 en 2018. Vanaf 2020 heeft de vrouw geprobeerd met de man afspraken te maken over de overname van de echtelijke woning en de mogelijke gevolgen daarvan voor de alimentatieverplichting. Vervolgens is door de vrouw bij deze rechtbank een kortgedingprocedure gestart met betrekking tot de woning. Blijkens het proces-verbaal van de zitting van 5 december 2022 hebben partijen afspraken weten te maken over de verkoop dan wel overname van de woning door de vrouw en de alimentatieverplichting van de man. Onder punt 6 van het proces-verbaal is daarbij bepaald:
“Voormelde regeling laat onverlet dat de vrouw aanspraak blijft maken op betaling van de achterstallige alimentatie. De man behoudt zich van zijn kant het recht voor om nog een procedure tot wijziging van partneralimentatie op te starten.”
Kort na deze zitting heeft de kantonrechter bewind ingesteld over de (toekomstige) goederen van de man wegens verkwisting of het hebben van problematische schulden. Op 10 augustus 2023 is uiteindelijk het onderhavige verzoek ingediend.
Op de zitting is gebleken dat het de vrouw inmiddels is gelukt om de (voormalig) echtelijke woning over te nemen tegen de huidige taxatiewaarde. Er is berekend dat zij de man een bedrag van ruim € 50.000,- dient te betalen in verband met de overwaarde op de woning. Dit bedrag staat momenteel op een rekening bij de notaris en de vrouw heeft hier beslag op gelegd. Daarnaast is op de zitting gebleken dat partijen recent nog hebben geprobeerd afspraken te maken over de verdeling van de overwaarde van de woning. Hierbij is onder meer voorgesteld om de overwaarde van de woning weg te strepen tegen de achterstallige alimentatie. De kantonrechter heeft echter geen toestemming gegeven voor het aangaan van een dergelijke overeenkomst, omdat hij de uitkomst van de onderhavige alimentatieprocedure wil afwachten.
De rechtbank ziet aanleiding om eerst het verzoek onder 2 betreffende de verjaring te bespreken.
Verjaring
De man verzoekt onder 2 te bepalen dat de vordering van de vrouw met betrekking tot achterstallige betalingen over de periode van [datum 2] 2013 tot vijf jaar voorafgaand aan de datum van de in deze te nemen beschikking van de rechtbank – derhalve tot 22 november 2019 –, is verjaard. De vrouw stelt dat zij haar aanspraken jegens de man heeft behouden, omdat zij de verjaring tijdig heeft gestuit.
Op grond van artikel 3:324 lid 3 van het BW verjaart de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van een rechterlijke uitspraak na vijf jaar voor wat betreft hetgeen ingevolge de uitspraak moet worden betaald.
Op grond van artikel 3:325 lid 2 BW kan een verjaring worden gestuit door:
De rechtbank is van oordeel dat voor zover het de alimentatietermijnen betreft vanaf 15 november 2015, in ieder geval sprake is van de situatie zoals bedoeld in artikel 3:325 lid 2 sub a BW. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.
Bij brief van 14 november 2020 heeft de advocaat van de vrouw aan de man onder meer het volgende bericht met betrekking tot haar verzoek om over te gaan tot verdeling van de huwelijksgemeenschap:
“Daarbij is het zo dat er wellicht sprake is van overwaarde op de woning waar u voor de helft recht op zou kunnen hebben, maar daar staat tegenover dat er aan uw zijde inmiddels sprake is van een aanzienlijke achterstand in de betaling van de partneralimentatie welke u aan cliënte dient te voldoen. De overwaarde waar u wellicht recht op zou hebben kan met deze achterstand worden verrekend, waardoor er nog steeds sprake zal zijn van een achterstand. De achterstand bedroeg in juli 2020 immers al € 85.162,57.
[…]
Indien ik binnen veertien dagen na heden niet van u verneem, dan ben ik genoodzaakt om een gerechtelijke procedure te starten. Vooralsnog hoopt cliënte dat het zover niet hoeft te komen en dat de procedure tot echtscheiding eindelijk in zijn geheel kan worden afgewikkeld.”
De rechtbank is van oordeel dat de brief van de advocaat van de vrouw van 14 november 2020 moet worden aangemerkt als een schriftelijke aanmaning die leidt tot stuiting van de verjaring van alle alimentatietermijnen die op dat moment nog niet waren verjaard, derhalve alle vanaf 15 november 2015 verschuldigde termijnen.
De man stelt in de eerste plaats dat hij deze brief nooit ontvangen heeft. De rechtbank gaat aan dat verweer voorbij. Door de vrouw is een brief van de man overgelegd gedateerd op 30 maart 2021, waarin hij refereert aan een brief van haar advocaat van “mei 2020” waarin staat dat de vrouw wil overleggen over het huis en haar vraagt daarover contact op te nemen met zijn maatschappelijk werker. De rechtbank gaat ervan uit dat de man zich heeft vergist en per abuis de maand mei noemt in plaats van november. De brief van november gaat namelijk niet alleen over hetzelfde onderwerp, maar bovendien heeft de advocaat van de vrouw in haar brief van 1 juli 2021 aan de maatschappelijk werker van de man gerefereerd aan zowel haar eerdere brief van 14 november 2020 als de reactie van de man van 30 maart 2021. Als de genoemde brief van 14 november 2020 bij de man niet bekend was geweest, had het op zijn weg gelegen om daar opheldering over te vragen. Nu dat niet is gebeurd, houdt de rechtbank het ervoor dat de brief van 14 november 2020 de man wel heeft bereikt.
De man stelt in de tweede plaats dat deze aanmaning niet duidelijk genoeg is geweest. De rechtbank gaat ook niet mee in dat verweer van de man. Of een mededeling voldoet aan de vereisten uit artikel 3:325 lid 2 BW, dient namelijk niet alleen beoordeeld te worden aan de hand van de formulering ervan, maar met inachtneming van de context en overige omstandigheden van het geval. Bij deze beoordeling kunnen ook omstandigheden die hebben plaatsgevonden nadat de mededeling is gedaan van betekenis zijn (Hoge Raad 18 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2741).
Bij haar oordeel dat de man uit de brief van 14 november 2020 kon begrijpen dat de vrouw zich het recht tot tenuitvoerlegging voorbehield, betrekt de rechtbank de volgende omstandigheden. Uit het door de vrouw overgelegde “Overzicht gevorderde alimentatie namens [de vrouw] ” van 9 april 2018 blijkt dat het LBIO is blijven proberen alimentatietermijnen bij de man te innen. Voorts is de brief van 14 november 2020 gevolgd door overleg tussen de advocaat van de vrouw en Team sociaal werk/welzijn Scheveningen en uiteindelijk de afspraken die zijn gemaakt op de zitting in de kort gedingprocedure in december 2022. In het proces-verbaal van 5 december 2022 staat duidelijk vermeld dat de vrouw aanspraak blijft maken op de achterstallige alimentatie. De man heeft die afspraken, neergelegd in een door hemzelf ondertekend proces-verbaal, gemaakt terwijl hij werd bijgestaan door een advocaat. Dat de man bij het ondertekenen een voorbehoud heeft gemaakt om een wijzigingsprocedure te mogen starten, doet niet af aan de erkenning van de achterstand in de alimentatietermijnen.
Dit betekent dat in ieder geval de vordering van de vrouw op de man vanaf 15 november 2015 niet is verjaard.
Ter onderbouwing van haar verweer dat zij ook de verjaring van de eerdere alimentatietermijnen heeft gestuit, heeft de vrouw gewezen op het hiervoor genoemde overzicht van het LBIO van 9 april 2018. Daaruit blijkt dat het LBIO namens de vrouw een totaalbedrag van € 57.679,89 aan termijnen bij de man heeft geprobeerd te innen.
De rechtbank kan uit dit overzicht echter niet afleiden wanneer de man door het LBIO voor welke termijn is aangesproken. Daarmee kan de rechtbank niet vaststellen op welke datum en met betrekking tot welke termijn een stuitingshandeling is verricht. Het had op de weg van de vrouw gelegen om dat nader te onderbouwen. Nu zij dat heeft nagelaten en de wettelijke verjaringstermijn is verstreken, kan het verzoek van de man onder punt 2 in zoverre worden toegewezen dat de rechtbank voor recht zal verklaren dat de vordering van de vrouw met betrekking tot achterstallige betalingen over de periode vanaf [datum 2] 2013 tot 15 november 2015 is verjaard.
Omdat het verzoek van de man niet volledig wordt toegewezen, komt de rechtbank toe aan het verzoek onder 1 van de man.
Wijziging bijdrage vanaf 1 januari 2017
De man verzoekt de partneralimentatie met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2017 te wijzigen op grond van artikel 1:401 lid 1 BW. Op grond van dit artikel kan een rechterlijke uitspraak over levensonderhoud bij latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken, wanneer zij later door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen.
De rechtbank is van oordeel dat de man in dit geval eerder een verzoek tot wijziging had kunnen doen, zodat een wijziging met terugwerkende kracht hier niet aan de orde kan zijn.
Als het betoog van de man juist is dat zijn opdrachten sinds genoemde datum waren afgenomen en daardoor de verwachte omzet achter bleef, was de man als zelfstandig ondernemer daarvan reeds lang op de hoogte zodat hij daarop actie had kunnen nemen. De vrouw is er bij de overname van de woning vanuit gegaan dat de overwaarde waar de man aanspraak op maakte, zou worden verrekend met de achterstallige alimentatietermijnen. Als nu deze alimentatietermijnen met terugwerkende kracht worden verlaagd, wordt de vrouw onredelijk in haar belangen geschaad. Dat de man (pas) op 10 augustus 2023 een verzoek tot wijziging heeft ingediend komt dan ook voor zijn eigen rekening en risico. De rechtbank zal daarom het verzoek tot wijziging beoordelen vanaf de datum van indiening van het verzoek, te weten 10 augustus 2023.
Gelet op het lage inkomen van de man en de aanzienlijke schuldenlast van de man, zoals blijkt uit het door de man als productie 7 overgelegde schuldenoverzicht, is de rechtbank van oordeel dat de man op dit moment geen draagkracht heeft om partneralimentatie te betalen. De rechtbank zal daarom het verzoek van de man onder punt 1 gedeeltelijk toewijzen, in die zin dat de man met ingang van 10 augustus 2023 geen bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw verschuldigd is.
Beslissing
De rechtbank – met wijziging in zoverre van de beschikking van de rechtbank van d.d. 11 november 2014 – :
verklaart voor recht dat de vordering van de vrouw met betrekking tot achterstallige betalingen over de periode vanaf [datum 2] 2013 tot 15 november 2015 is verjaard;
bepaalt de door de man met ingang van 10 augustus 2023 te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw op nihil;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.