RECHTBANK DEN HAAG
[eiser] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL25.59325
V-nummer: [v-nummer]
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
(gemachtigde: mr. G.A. Dorsman),
en
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
Procesverloop
Verweerder heeft op 4 september 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft het beroep op 16 december 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen H. Aziz. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van vandaag;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 4.400,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.814,00.
Overwegingen
De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering:
1. Eiser stelt van Egyptische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op
[geboortedatum 1] 2003.
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 3 november 2025 (in de zaak NL25.51293) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.
3. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan de verwijdering. Volgens hem had de kopie van zijn paspoort meegestuurd moeten worden met de LP-aanvraag.
4. In de uitspraak van 3 november 2025 is geoordeeld dat de voortduring van de maatregel van bewaring rechtmatig was. In die uitspraak is geoordeeld dat niet kan worden aangenomen dat de kopie van eisers paspoort niet is meegezonden met de LP-aanvraag. Verweerder heeft op 16 december 2025 ter zitting bevestigd dat de kopie van het paspoort van eiser niet is meegestuurd maar, op een later tijdstip, alleen een kopie van de geboorteakte.
5. Bij de strafrechtelijke staandehouding van eiser op 4 september 2025 staat dat een geldig identiteitsdocument is gevorderd. Vervolgens staat er in het proces-verbaal van bevindingen het volgende:
“Wij hoorden de man zeggen dat hij alleen een foto van zijn paspoort had in zijn telefoon, omdat zijn paspoort in Spanje ligt.
De man werd ons later bekend als:
** [persoon] **
Geboren op [geboortedatum 2] 2003 te Egypte”
Ter zitting heeft eiser desgevraagd aangegeven dat hij bij zijn staandehouding de kopie van zijn paspoort heeft laten zien. De rechtbank ziet geen reden om daaraan te twijfelen. En ook als eiser de kopie niet heeft laten zien, heeft hij het toen wel benoemd. Verweerder was hier dus van op de hoogte. Verweerder moet er alles aan doen om de uitzetting te bespoedigen. Verweerder moest in dit geval dus actief onderzoek doen naar de kopie van het paspoort in eisers telefoon teneinde een kopie of print van het paspoort bij de LP-aanvraag mee te zenden. De rechtbank is van oordeel dat verweerder, door dit niet te doen, onvoldoende voortvarend heeft gewerkt. Deze beroepsgrond slaagt daarom.
6. Het beroep is gegrond en de maatregel van bewaring is met ingang van
3 november 2025 onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van vandaag.
7. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van bewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 44 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel van 44 x € 100,- (verblijf detentiecentrum) = € 4.400,-.
8. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 16 december 2025 door
mr. R.H.G. Odink, rechter, in aanwezigheid van M.A. van Garder, griffier.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.