ECLI:NL:RBDHA:2024:24013

ECLI:NL:RBDHA:2024:24013

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 07-03-2024
Datum publicatie 04-02-2026
Zaaknummer NL24.2427
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Utrecht
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RVS:2026:559

Samenvatting

Asiel, Eritrea, gedeserteerd uit militaire dienst, relevante elementen geloofwaardig, geen sprake van vrees voor vervolging, ongegrond

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: NL24.2427

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. E.J.P. Cats),

en

,

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid

(gemachtigde: mr. G.T. Cambier).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. Eiser stelt van Eritrese nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [1991] . Hij heeft op 9 februari 2023 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De staatssecretaris heeft met het bestreden besluit van 16 januari 2024 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.

De rechtbank heeft het beroep op 21 februari 2024 samen met het verzoek om een voorlopige voorziening hangende dit het beroep1, op een zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, T. Menelik als tolk en de gemachtigde van de staatssecretaris.

Beoordeling door de rechtbank

Artikel 3 van het EVRM

2. Eiser heeft op 9 februari 2023 een asielaanvraag ingediend. Aan deze asielaanvraag heeft eiser – samengevat – ten grondslag gelegd dat hij onder dwang weg is gehaald bij zijn gezin en in dienst moest bij het Eritrese leger. Eiser is hierdoor ook betrokken geweest bij de oorlog in Ethiopië. Vervolgens is eiser gedeserteerd uit het Eritrese leger. Als eiser terugkeert naar Eritrea kan hij in detentie belanden of voor een vuurpeloton verschijnen waardoor hij zal worden gedood.

3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de staatssecretaris de volgende relevante elementen:

1. Identiteit, nationaliteit en herkomst;

2. Gedeserteerd uit militaire dienst.

4. De staatssecretaris heeft beide relevante elementen geloofwaardig geacht. Deze geloofwaardig bevonden relevante elementen leiden er echter niet toe dat eiser in aanmerking komt voor een status als vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Eiser heeft namelijk onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij persoonlijk heeft te vrezen voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Het enkele feit dat eiser gedeserteerd is uit het Eritrese leger, is daarvoor onvoldoende. Verder komt eiser volgens de staatssecretaris ook niet in aanmerking voor een asielvergunning op grond van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). In beginsel komt een vreemdeling in aanmerking voor deze vergunning wanneer hij gedeserteerd is uit het Eritrese leger. In het geval van eiser is het volgens de staatssecretaris echter zo dat hij een reëel gevaar vormt voor de openbare orde, waardoor hij niet in aanmerking komt voor deze vergunning. Eiser is bij vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 11 juli 2023 veroordeeld tot een gevangenisstraf van 36 maanden voor verkrachting.2 Er is wel sprake van een uitzetbeletsel naar Eritrea op grond van artikel 3 van het EVRM en daarom heeft de staatssecretaris in het bestreden besluit overwogen dat aan eiser geen terugkeerbesluit en inreisverbod worden opgelegd.3 Van een situatie van ernstige materiële deprivatie4 bij weigering van de vergunning is niet gebleken, aldus de staatssecretaris ter zitting.

5. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en heeft tegen verschillende overwegingen van de staatssecretaris beroepsgronden ingediend. De rechtbank bespreekt deze beroepsgronden hieronder.

Vluchtelingschap

6. Eiser stelt dat hij aannemelijk heeft gemaakt dat hij vanwege zijn desertie uit het Eritrese leger gegronde redenen heeft om te vrezen voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Eiser verwijst daarbij naar paragraaf C2/3.2 van de Vreemdelingencirculaire (Vc). Hieruit blijkt dat eerst moet worden gekeken naar artikel 3.36, tweede lid, onder e van het Voorschrift Vreemdelingen (VV). Als dit artikel niet van toepassing is, wordt pas gekeken naar artikel 3.36, tweede lid, onder b en c van het VV. Als een vreemdeling dus een beroep doet op het feit dat hij is gedeserteerd moet eerst getoetst worden of de vreemdeling op grond van artikel 3.36, tweede lid, onder e, van het VV als vluchteling kan worden aangemerkt. Als daarvan geen sprake is kan pas verder getoetst worden of er sprake is van onevenredige of discriminerende bestraffing, of gewetensbezwaren. Eiser heeft hierover verklaard dat hij tijdens een gewapend conflict uit het leger is gedeserteerd. Als eiser dit niet had gedaan, dreigde hij te worden gedwongen om deel te nemen aan de omvangrijke oorlogsmisdaden van het Eritrese leger tegen de burgerbevolking. Eiser verwijst naar het artikel: “Ethiopië: Bloedbad door Eritrese troepen lijkt misdaad tegen de menselijkheid” van 26 januari 2021 van Amnesty International. Hierdoor kan worden gesproken van strafbare feiten of handelingen in de zin van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag. De kans dat eiser hier gedwongen bij zou worden betrokken als hij niet gedeserteerd was uit het Eritrese leger, is groot. Het Eritrese leger heeft namelijk in de periode dat eiser zich nog in Eritrea bevond in koelen bloede honderden burgers gedood. Eiser voldoet hiermee aan de cumulatieve voorwaarden zoals neergelegd in paragraaf C2/3.2 van de Vc. Daarbij merkt eiser op dat het Eritrese regime deserteurs beschouwd als landverraders. Deserteurs worden daarom na arrestatie zwaar gestraft, gemarteld, en er wordt gedreigd met een gevangenisstraf voor onbepaalde duur. Hierdoor is er ook sprake van onevenredige en discriminatoire bestraffing wegens desertie.

7. De rechtbank overweegt het volgende. In paragraaf C2/3.2 van de Vc staat het huidige algemene beleid voor deserteurs uitgewerkt. Hieruit blijkt dat eerst moet worden gekeken naar artikel 3.36, tweede lid, onder e van het VV. Is daar geen sprake van dan kijkt de staatssecretaris of er sprake is van gevallen als bedoeld in artikel 3.36, tweede lid, onder b en c van het VV. In het geval van desertie moet dus eerst beoordeeld worden of een vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat hij heeft te vrezen voor vervolging of bestraffing wegens zijn desertie tijdens een conflict, waarbij het vervullen van militaire dienst strafbare feiten of handelingen inhoudt die onder artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag vallen.5 Hiervan is sprake als een vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij het vervullen van de militaire dienstplicht oorlogsmisdrijven zal moeten plegen of hier op een andere wijze aan zal moeten bijdragen. Om dit aannemelijk te maken moet worden voldaan aan drie cumulatie vereisten, zoals genoemd in paragraaf C2/3.2 van de Vc:

1. De vreemdeling moet aannemelijk maken dat er sprake is van een gewapend conflict waarbij oorlogsmisdrijven worden begaan of de kans daartoe zeer groot is. In beginsel neemt de staatssecretaris aan dat de kans groot is dat oorlogsmisdrijven worden gepleegd als de internationale gemeenschap een gewapend conflict heeft veroordeeld als strijdig met de grondbeginselen van humaan gedrag en/of fundamentele normen die gelden tijdens een conflict;

2. De vreemdeling moet aannemelijk maken dat hij in dienst direct deelneemt of ondersteuning moet bieden bij het plegen van oorlogsmisdrijven. Daarbij is de schaal waarop oorlogsmisdrijven worden begaan relevant;

3. De vreemdeling moet aannemelijk maken dat dienstweigering de enige manier is om te voorkomen dat hij moet deelnemen aan het plegen van oorlogsmisdrijven.

Pas als er geen sprake is van vrees om betrokken te raken bij oorlogsmisdrijven moet de staatssecretaris toetsen of de desertie leidt tot onevenredige of discriminatoire bestraffing6, of dat de dienstweigering voortkomt uit onoverkomelijke gewetensbezwaren.

8. De rechtbank is van oordeel dat de staatssecretaris voldoende heeft gemotiveerd waarom er in het geval van eiser geen sprake is van vrees voor vervolging op grond van het Vluchtelingenverdrag. Eiser voldoet niet aan de cumulatieve voorwaarden zoals deze zijn neergelegd in paragraaf C2/3.2 van de Vc. De staatssecretaris heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij als dienstplichtige militair handelingen moet plegen die gekwalificeerd moeten worden als oorlogsmisdrijven of op een andere manier ondersteuning moet bieden om deze oorlogsmisdrijven mogelijk te maken. Mensenrechtenschendingen en oorlogsmisdrijven zijn meerdere malen gemeld, maar er zijn nooit officiële uitspraken gedaan door bevoegde rechtsprekende instanties over de vraag of er daadwerkelijk mensenrechtenschendingen of oorlogsmisdrijven worden gepleegd door het Eritrese leger. De staatssecretaris heeft niet ten onrechte overwogen dat eiser met het door hem overgelegde artikel van Amnesty International niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Eritrea zal worden ingezet voor militaire taken die het plegen van mensenrechtenschendingen of oorlogsmisdrijven inhouden. Eiser heeft ook zelf niet verklaard dat hij tijdens zijn eerdere militaire dienst handelingen heeft moeten verrichten die gezien moeten worden als oorlogsmisdrijven of mensenrechtenschendingen, dan wel dat hij getuige is geweest van deze misdrijven of schendingen. Hiermee heeft eiser niet voldaan aan de cumulatieve vereisten zoals neergelegd in de Vc en de staatssecretaris heeft daarom kunnen oordelen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat eiser heeft te vrezen voor vervolging of bestraffing wegens zijn desertie uit het Eritrese leger tijdens een conflict als bedoeld in artikel 3.36, tweede lid, onder e van het VV.

9. De staatssecretaris moet vervolgens beoordelen of er eventueel sprake is van onevenredige of discriminatoire bestraffing als gevolg van eisers desertie of onoverkomelijke gewetensbezwaren bij eiser. De rechtbank is van oordeel dat de staatssecretaris voldoende heeft gemotiveerd dat hier geen sprake van is. In het nader gehoor heeft eiser zelf gezegd dat hij zal worden bestraft als hij terugkeert naar Eritrea, maar dat deze bestraffing aan alle deserteurs wordt opgelegd, maar wel verschilt per eenheid.7 Dat het per eenheid verschilt is onvoldoende om aan te nemen dat er sprake is van onevenredige of discriminatoire bestraffing. Niet aannemelijk is gemaakt dat eisers desertie leidt tot een op eiser gerichte discriminatoire bestraffing. Verder blijkt uit de verklaring van eiser niet dat er sprake is van onoverkomelijke gewetensbezwaren. Hij heeft enkel verklaard dat hij is gedeserteerd omdat hij zijn eigen dingen wilde doen en wat van zijn eigen leven wilde maken. 8 De beroepsgrond slaagt niet.

10. Eiser stelt verder dat hij in aanmerking moet komen voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 3 van het EVRM. Er is geen sprake van een veroordeling wegens een (bijzonder) ernstig misdrijf. Eiser is onschuldig en is in hoger beroep gegaan tegen de uitspraak van de rechtbank. Het ligt in de rede om het hoger beroep van eiser af te wachten, hij is immers nog niet onherroepelijk veroordeeld. Pas als er een onherroepelijk rechterlijk oordeel is kan geoordeeld worden of al dan niet sprake is van een veroordeling wegens een ernstig strafbaar feit. Daarbij komt dat eiser zich in gevangenschap goed gedraagt. Hij vormt dus geen actuele, werkelijk en voldoende ernstige bedreiging die een fundamenteel belang van de samenleving aantast.

11. De rechtbank overweegt het volgende. Omdat de staatssecretaris geloofwaardig heeft geacht dat eiser is gedeserteerd uit militaire dienst, wordt aangenomen dat eiser bij terugkeer naar Eritrea een reëel risico loopt op ernstige schade als in artikel 3 van het EVRM. De staatssecretaris moet dan in beginsel aan eiser een asielvergunning op grond van artikel 3 van het EVRM verlenen. De staatssecretaris mag echter afzien van het verlenen van deze vergunning, als een vreemdeling op ernstige gronden een gevaar voor de openbare orde of nationale veiligheid vormt. Een vreemdeling zal in een situatie als die niet terug kunnen keren naar zijn land van herkomst, maar krijgt ook geen asielvergunning in Nederland, omdat hij een reëel risico voor de openbare orde vormt.

12. De rechtbank is van oordeel dat de staatssecretaris heeft mogen afzien van het verlenen van een asielvergunning op grond van artikel 3 van het EVRM, omdat eiser een reëel gevaar voor de openbare orde vormt. Aan eiser is op 11 juli 2023 een gevangenisstraf van 36 maanden opgelegd voor het plegen van een zedendelict (verkrachting) als genoemd in artikel 242 van het Wetboek van Strafrecht. Verkrachting wordt naar zijn aard aangemerkt als een ernstig misdrijf dat een gevaar voor de gemeenschap oplevert.9 Hiermee is voldaan aan de voorwaarden die worden gesteld in paragraaf C2/7.10.1 van de Vc om een asielvergunning af te wijzen op grond van openbare orde aspecten. Ook wordt voldaan aan het Unierechtelijke openbare orde-criterium. Hierbij wordt beoordeeld of eiser op dit moment door zijn persoonlijke gedrag een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging vormt, die een fundamenteel belang van de samenleving aantast. De staatssecretaris heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat hiervan sprake is.

Verkrachting is een ernstig misdrijf dat naar zijn aard beschouwd fundamentele belangen van de samenleving schaadt. Eiser heeft dit misdrijf op 16 oktober 2022 gepleegd en is hiervoor op 11 juli 2023 veroordeeld. Eiser zit nog in detentie. Dat eiser in hoger beroep is gegaan tegen het vonnis en dat hij zelf stelt onschuldig te zijn en zich in detentie goed te gedragen, maakt dit niet anders. De staatssecretaris mag immers, ook als een veroordeling nog niet onherroepelijk is, aan eiser tegenwerpen dat hij gelet op de veroordeling een actueel gevaar voor de openbare orde vormt. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

13. De staatssecretaris heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. Spelt, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Mulder, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

07 maart 2024

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. N.M. Spelt

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?