RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL24.15873
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoeker] , de vreemdeling V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. W.A. Berghuis)
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
Inleiding
1. De vreemdeling is vanuit Oekraïne, waar hij of zij in het bezit was van een tijdelijk verblijfsrecht, naar Nederland gekomen en is hier aangemerkt als een persoon die als zogenoemde derdelander onder de werking van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming valt. De staatssecretaris heeft de vreemdeling bericht dat deze tijdelijke bescherming eindigt op 4 maart 2024.
De vreemdeling is het daar niet mee eens en heeft daartegen beroep ingesteld. De vreemdeling heeft de voorzieningenrechter verzocht om bij voorlopige voorziening te bepalen dat het recht op tijdelijke bescherming bedoeld in de Richtlijn Tijdelijke Bescherming en de daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluiten, op de vreemdeling van toepassing is.
2. De voorzieningenrechter doet op grond van het bepaalde in artikel 8:83 van de Algemene wet bestuursrecht zonder zitting uitspraak omdat onverwijlde spoed dat vereist.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
3. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft bij uitspraken van 2 april 2024 (bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2024:1366), de door derdelanders gevraagde voorlopige voorzieningen toegewezen, met - voor zover van belang - de volgende motivering:
“Gelet op de door de zittingsplaats Amsterdam gestelde prejudiciële vragen die specifiek gaan over de duur van de tijdelijke bescherming, de zeer uiteenlopende en verschillend gemotiveerde oordelen van bestuursrechters in de andere zittingsplaatsen van de rechtbank Den Haag hierover, de gevolgen daarvan en de belangen die de vreemdeling en de staatssecretaris naar voren hebben gebracht, acht de voorzieningenrechter van de Afdeling
het afwachten van de beantwoording van de prejudiciële vragen aangewezen en treft hij een voorlopige voorziening. In afwachting van de beantwoording van de prejudiciële vragen houdt hij het hoger beroep van de vreemdeling aan en bepaalt hij dat de vreemdeling de tijdelijke bescherming behoudt bedoeld in de Richtlijn Tijdelijke Bescherming en de daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluiten. Dit betekent dat de vreemdeling niet uit Nederland hoeft te vertrekken, dat hij zijn recht op opvang behoudt en dat hij mag blijven werken, totdat op het door hem ingestelde hoger beroep is beslist.”
4. Gelet op deze Afdelingsuitspraken en ter voorkoming van rechtsongelijkheid binnen deze groep derdelanders, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om het verzoek om een voorlopige voorziening toe te wijzen. Dat betekent dat de vreemdeling de tijdelijke bescherming behoudt als bedoeld in de Richtlijn Tijdelijke Bescherming en de daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluiten, dat hij of zij niet uit Nederland hoeft te vertrekken, het recht op opvang behoudt en mag blijven werken, totdat op het door de vreemdeling ingestelde beroep is beslist.
5. De voorzieningenrechter veroordeelt de staatssecretaris in de gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 875,-(1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 875,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De voorzieningenrechter:
€ 875,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, rechter, in aanwezigheid van mr. A.W. van Eerden, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
11 april 2024