[eiser], v-nummer [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. E. Derksen),
en
de minister van Asiel en Migratie
(gemachtigde: mr. R.S. Helmus)
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiser heeft ingesteld omdat de minister volgens hem niet op tijd heeft beslist op de asielaanvraag van 30 juli 2021. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 8 augustus 2024 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde hebben bericht niet aanwezig te zullen zijn.
Beoordeling door de rechtbank
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd op een aanvraag beslist, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene schriftelijk aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog moet worden beslist op zijn aanvraag (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na twee weken nog steeds geen besluit is genomen, dan kan de betrokkene beroep instellen.
Sinds 11 juli 2021 is in artikel 1 van de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND bepaald dat artikelen 4:17 tot en met 4:19, afdeling 8.2.4a (waarin de artikelen 8:55c en 8:55d staan) en artikel 8:72, zesde lid, van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing zijn op besluiten op asielaanvragen voor bepaalde tijd. Dit artikel sluit dus uit dat in een asielzaak een rechterlijke dwangsom wordt opgelegd en een bestuurlijke dwangsom wordt verbeurd.
In de uitspraak van 24 maart 2022 heeft de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats artikel 1 van de Tijdelijke wet, voor zover daarin is bepaald dat de rechtbank de minister geen rechterlijke dwangsom kan opleggen als hij te laat beslist op een aanvraag om het verlenen van een verblijfsvergunning asiel, onverbindend verklaard wegens strijd met artikel 47 van het EU-Handvest. In haar uitspraak van 30 november 2022 is de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State tot hetzelfde oordeel gekomen. Het gevolg van dit oordeel is dat de rechtbank wel een rechterlijke dwangsom kan opleggen.
3. De rechtbank beoordeelt daarom in deze uitspraak of het beroep van eiser ontvankelijk en gegrond is.
Is het beroep van eiser ontvankelijk en gegrond?
4. Het beroep is ontvankelijk en gegrond. Eiser heeft de aanvraag ingediend op 30 juli 2021. De minister moet uiterlijk binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag beslissen, oftewel uiterlijk op 30 januari 2022. De minister heeft op 18 februari 2022 de asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard. De minister heeft vervolgens op 12 maart 2024 het besluit van 18 februari 2022 ingetrokken. Dat betekent dat de minister alsnog definitief op de aanvraag van 30 juli 2021 moet beslissen en dat de beslistermijn is overschreden.
Deze rechtbank en zittingsplaats heeft daarbij in haar uitspraak van 6 december 2023 geoordeeld dat de maximale beslistermijn van 21 maanden, zoals bedoeld in artikel 31, vijfde lid, van de Procedurerichtlijn, begint te lopen vanaf het indienen van de asielaanvraag. In het geval van eiser is de termijn van 21 maanden dus aangevangen op 30 juli 2021. Hierdoor is de beslistermijn geëindigd op 30 april 2023, zodat ook de 21 maanden termijn is overschreden. Eiser heeft de minister na het verstrijken van die termijn, op 31 mei 2024, in gebreke gesteld. Eiser heeft meer dan twee weken na de ingebrekestelling beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag.
Moet het verstrijken van de 21-maandentermijn leiden tot de inwilliging van de aanvraag?
5. Eiser stelt zich op het standpunt dat de minister had moeten overgaan tot inwilliging van de asielaanvraag van eiser omdat de maximale termijn van 21 maanden is verstreken. Het opnieuw horen van eiser en het uitbrengen van een nieuw voornemen doen volgens hem afbreuk aan het nuttig effect van artikel 31, vijfde lid van de Procedurerichtlijn.
De minister is van mening dat uit de context van artikel 31, vijfde lid van de Procedurerichtlijn niet kan worden afgeleid dat er na het verstrijken van de maximale termijn van 21 maanden een inwilliging van de asielaanvraag van eiser moet volgen. De rechtbank volgt dit standpunt van de minister. De tekst, noch de strekking van de artikel 31 van de Procedurerichtlijn bevat een aanknopingspunt voor de stelling dat een aanvraag waarop niet binnen 21 maanden is beslist, moet worden ingewilligd. Dat is niet anders in een situatie waarin op een reeds genomen besluit wordt ingetrokken. De rechtbank ziet ook geen aanleiding om op dit punt prejudiciële vragen te stellen. Het betoog van eiser slaagt niet. Daarom legt de rechtbank onder 6 een termijn op waarbinnen de minister op de asielaanvraag van eiser dient te beslissen.
Welke beslistermijn legt de rechtbank aan de minister op?
6. De bestuursrechter kan een termijn stellen voor het nemen van het besluit of het verrichten van een andere handeling.
De door eiser gevraagde beslistermijn van vier weken vindt de rechtbank in het kader van een zorgvuldige besluitvorming niet passend. De minister heeft te kennen gegeven dat er geen aanvullend gehoor plaats hoeft te vinden en op de zitting is gebleken dat de minister op 7 augustus 2024 een voornemen heeft uitgebracht. De minister heeft in zijn verweerschrift toegelicht dat hij uitgaat van één week voor het uitbrengen van het voornemen, vier weken voor het indienen van een zienswijze, één week voor de ontvangst en daarna nog twee weken om het besluit te nemen. Omdat in het geval van eiser al op 7 augustus 2024 een voornemen is uitgebracht, ziet de rechtbank aanleiding om af te wijken van de termijn van acht weken na de uitspraak. De minister gaat immers zelf uit van nog zeven weken na het voornemen, zodat hij uiterlijk op 25 september 2024 een besluit op de aanvraag bekend moet maken.
Welke dwangsom legt de rechtbank op?
7. De rechtbank bepaalt dat de minister een dwangsom moet betalen voor elke dag waarmee de onder 6.1 genoemde termijn wordt overschreden. De rechtbank stelt de hoogte van de dwangsom in deze zaak vast op een bedrag van € 100 per dag voor elke dag waarmee de termijn wordt overschreden, met een maximum van € 7.500.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt en de minister de onder 6.1 genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en de onder 7 genoemde dwangsom wordt opgelegd.
Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser ook een vergoeding voor zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 437,50 omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, rechter, in aanwezigheid vanmr. R. Kloppers, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.