I. Besluit tot statutenwijziging
[eiseres] stelt dat het besluit tot statutenwijziging van 13 augustus 2020 om verschillende redenen nietig of vernietigbaar is. Volgens gedaagden heeft [eiseres] geen belang bij de vaststelling daarvan in rechte, omdat de statutenwijziging nog altijd niet is geëffectueerd. De rechtbank is het daar niet mee eens. Uit dat wat tijdens de zitting namens gedaagden is verklaard, blijkt niet dat [bedrijf] ook in de toekomst geen gevolg zal geven aan het besluit. De statutenwijziging is dus (nog) niet definitief van de baan. Het belang van [eiseres] om duidelijkheid te krijgen over de rechtsgeldigheid van het besluit is daarmee gegeven. Dat volgens gedaagden direct na de door [naam 1] en [eiseres] beoogde verdeling van de gemeenschap waartoe de aandelen A behoren alsnog een geldig besluit over de statutenwijziging kan worden genomen, maakt dat niet anders. Naar het oordeel van de rechtbank kan in deze procedure niet op de uitkomst van die verdeling vooruit worden gelopen.
Gedaagden hebben nog aangevoerd dat het standpunt van [eiseres] inzake de nietigheid van de statutenwijziging zodanig onredelijk is ten opzichte van het vennootschappelijk belang en in vergaande mate het vennootschapsrechtelijke proces van de aandeelhoudersvergadering doorkruist, dat nietigheid dan wel vernietigbaarheid niet aan de orde kan zijn. Dit hebben zij echter pas gedaan in de nadere akte na de mondelinge behandeling, terwijl de rechtbank hen alleen in de gelegenheid had gesteld op twee specifieke stellingen van [eiseres] te reageren. Daarmee hebben zij dit verweer te laat opgebracht en de rechtbank gaat dan ook eraan voorbij. Ook overigens begrijpt de rechtbank deze stellingen van gedaagden niet, gelet op de omstandigheid dat zij tot op heden nog niets met de statutenwijziging hebben gedaan.
Bij de beoordeling van de bezwaren van [eiseres] tegen het besluit tot statutenwijziging stelt de rechtbank voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat, nu de aandelen A onderdeel zijn van een (onverdeelde) gemeenschap, aandeelhouder A alleen tijdens een aandeelhoudersvergadering (of in voorkomend geval daarbuiten) kan stemmen over een besluit als [eiseres] en [naam 1] het met elkaar eens zijn. Dit brengt mee dat voor zover er al tijdens de gehouden vergaderingen over de statutenwijziging namens [eiseres] en/of [naam 1] afzonderlijk is gestemd, die stemmen bij de beantwoording van de vraag of een rechtsgeldig besluit is genomen buiten beschouwing moeten worden gelaten, omdat die niet eensluidend waren. [eiseres] en [naam 1] zijn het immers niet eens over die statutenwijziging.
Zoals gedaagden terecht aanvoeren moet de aandeelhoudersvergadering van 13 augustus 2020, de vergadering waarop het aangevochten besluit is genomen, als een tweede vergadering als bedoeld in artikel 20 lid 3 van de statuten worden aangemerkt. Weliswaar stond het voorstel tot statutenwijziging ook al op de agenda van de vergaderingen van 25 mei 2020, 12 juni 2020 en 22 juni 2020, maar die vergaderingen zijn niet doorgaan, althans tijdens die vergaderingen heeft geen (formele) stemming over het voorstel plaatsgevonden (zie ook 4.4). De vergadering van 12 juni 2020 was, anders dan [eiseres] stelt, geen tweede vergadering, maar een nieuwe eerste vergadering. Dit staat ook met zoveel woorden in de bijbehorende oproep van 2 juni 2020. Op deze eerste vergadering is geen tweede vergadering gevolgd, de vergadering van 22 juni 2020 is immers niet doorgegaan. Het bestuur en de RvC hebben er vervolgens voor gekozen om op 17 juli 2020 weer een nieuwe eerste vergadering te houden waarop een gewijzigd voorstel tot statutenwijziging zou worden besproken. De oproep voor die vergadering heeft plaatsgevonden op 6 juli 2020, in overeenstemming met de termijn van acht dagen uit artikel 17 lid 7 van de statuten (gelezen in combinatie met artikel 2:225 van het Burgerlijk Wetboek (BW)). Tijdens die vergadering is volgens de notulen vastgesteld dat het voor een besluit tot statutenwijziging vereiste quorum niet aanwezig was, zodat is besloten om (aanvankelijk op 31 juli 2020 en later in overeenstemming met de daarvoor geldende termijn op 13 augustus 2020) een tweede vergadering bijeen te roepen.
Volgens [eiseres] kon de tweede vergadering van 13 augustus 2020 niet bijeen worden geroepen, omdat door de aanwezigheid (van de zoon) van [eiseres] bij de (eerste) vergadering van 17 juli 2020 het voor een besluit tot statutenwijziging vereiste gedeelte van het kapitaal op die vergadering vertegenwoordigd was. Zij beroept zich daarbij op artikel 7 van de statuten en stelt dat zij, althans haar zoon namens haar, de gemeenschap waartoe de aandelen A behoren bij de vergadering van 17 juli 2020 kon vertegenwoordigen, omdat zij als aandeelhouder in het aandeelhoudersregister is ingeschreven. Aan de voorwaarde voor het bijeenroepen van een tweede vergadering (het ontbreken van het vereiste quorum tijdens de eerste vergadering) is, aldus [eiseres] , niet voldaan.
De rechtbank volgt haar daarin niet. Nu zowel [eiseres] als [naam 1] als houder van aandelen A in het aandelenregister is ingeschreven, is de rechtbank van oordeel dat artikel 7 van de statuten zo moet worden uitgelegd dat voor een rechtsgeldige vertegenwoordiging van de aandeelhouder A, zowel [eiseres] als [naam 1] tijdens een vergadering aanwezig of vertegenwoordigd moet zijn. De enkele aanwezigheid van een van beiden is niet voldoende. Volgens gedaagden is dit ook altijd het uitgangspunt geweest. En dit sluit ook aan bij de tevens door [eiseres] onderschreven uitleg dat om te kunnen stemmen op de aandelen zowel [eiseres] als [naam 1] aanwezig of vertegenwoordigd moet zijn. Omdat [naam 1] tijdens de vergadering van 17 juli 2020 niet aanwezig was en ook niet is gebleken dat [naam 2] door haar was gevolmachtigd, concludeert de rechtbank dat aandeelhouder A tijdens die vergadering niet werd vertegenwoordigd. De aandelen A vertegenwoordigde destijds 56,52% van het geplaatste kapitaal, zodat door de (formele) afwezigheid van aandeelhouder A tijdens de vergadering van 1 juli 2020 geen geldig besluit over de statutenwijziging kon worden genomen. Dat was, zo volgt uit artikel 26 lid 1 BW, immers alleen mogelijk als minimaal de helft van het geplaatste kapitaal tijdens de vergadering vertegenwoordigd zou zijn. Het bestuur en de RvC van [bedrijf] mochten dus overeenkomstig het bepaalde in artikel 20 lid 3 van de statuten een tweede vergadering bijeenroepen waarop de aandeelhouders alsnog (in dit geval met eenparigheid van stemmen) konden besluiten tot statutenwijziging.
[eiseres] heeft tijdens de mondelinge behandeling nog betoogd dat de bepaling in artikel 26 van de statuten inhoudende dat een besluit tot wijziging alleen kan worden genomen met een meerderheid van tenminste twee derden van de uitgebrachte stemmen vertegenwoordigende meer dan de helft van het geplaatste kapitaal, betekent dat zonder instemming van de houders van aandelen A de statuten überhaupt niet kunnen worden gewijzigd. De houders van aandelen A bezitten immers meer dan de helft van het aantal aandelen en dus kunnen volgens [eiseres] geen besluiten worden genomen als zij hun stem niet uitbrengen. [eiseres] miskent hiermee dat artikel 20 lid 3 van de statuten juist is geschreven voor deze situatie. Artikel 20 lid 3 van de statuten bepaalt immers dat als in de statuten is bepaald dat de geldigheid van een besluit afhankelijk is van het op de vergadering vertegenwoordigde deel van het kapitaal (zie artikel 26: “het aantal uitgebrachte stemmen vertegenwoordigende meer dan de helft van het kapitaal”) en dit gedeelte niet was vertegenwoordigd, een tweede vergadering kan worden gehouden waarin het besluit kan worden genomen onafhankelijk van het op deze vergadering vertegenwoordigde gedeelte van het kapitaal. In de tweede vergadering geldt dan nog wel dat het besluit met twee derde meerderheid van de uitgebrachte stemmen moet worden genomen, maar de voorwaarde dat meer dan de helft van het kapitaal aanwezig moet zijn, is dan op grond van artikel 20 lid 3 komen te vervallen. Mits aandeelhouders bij de oproep zijn geïnformeerd dat het een tweede vergadering betreft. De rechtbank volgt [eiseres] dan ook niet in deze uitleg van artikel 26 van de statuten.
[eiseres] beroept zich er ook op dat het besluit is genomen in strijd met het bepaalde in artikel 2:231 lid 4 BW. Daarin staat dat een besluit tot statutenwijziging dat specifiek afbreuk doet aan enig recht van houders van aandelen van een bepaalde soort of aanduiding, goedkeuring behoeft van deze groep van aandeelhouders, tenzij ten tijde van de toekenning van het betreffende recht de bevoegdheid tot wijziging daarvan uitdrukkelijk was voorbehouden.
De rechtbank is het niet met gedaagden eens dat deze bepaling alleen betrekking heeft op rechten die zijn toegekend aan de houders van stemloze aandelen. Weliswaar volgt uit de wetsgeschiedenis dat met het voorstel voor toevoeging van het vierde lid aan artikel 2:231 BW beoogd werd houders van stemloze aandelen een zeker mate van bescherming te bieden, maar uit de uiteindelijke tekst van de bepaling blijkt niet dat de wetgever het goedkeuringsvereiste heeft willen beperken tot statutenwijzigingen die alleen die groep aandeelhouders raken. Ook [eiseres] kan dus een beroep op de beschermende werking van dit artikel doen.
Gedaagden hebben niet bestreden dat de met het besluit beoogde wijziging van artikel 16 van de statuten afbreuk doet aan de rechten die de houders van aandelen A ten aanzien van (de samenstelling van) de RvC hebben. Door de wijziging zijn zij immers niet meer degenen die bepalen uit hoeveel leden de RvC bestaat, die een bindende voordracht kunnen doen bij de benoeming van commissarissen en die de bevoegdheden van de RvC overnemen bij belet of ontsteltenis van alle leden daarvan. Die rechten komen dan toe aan de algemene vergadering van aandeelhouders. Dat [naam 1] en [eiseres] als houder(s) van de aandelen A deze wijziging hebben goedgekeurd of dat de bevoegdheid tot wijziging van deze rechten uitdrukkelijk was voorbehouden is niet gebleken. Naar het oordeel van de rechtbank is in zoverre dan ook sprake van een fundamenteel gebrek in de totstandkoming van het besluit van 13 augustus 2020. Dat geldt echter enkel voor het besluit tot wijziging van artikel 16 van de statuten. Dat (deel van het) besluit van 13 augustus 2020 is nietig.
Anders dan [eiseres] , is de rechtbank van oordeel dat het besluit tot wijziging van artikel 26 van de statuten niet tot gevolg heeft dat afbreuk wordt gedaan aan recht(en) van aandeelhouder A. De wijziging van artikel 26 houdt in dat een besluit tot juridische fusie, juridische splitsing, wijziging van de statuten of ontbinding van de vennootschap in het vervolg niet langer met een gekwalificeerde meerderheid, maar met een volstrekte meerderheid van de uitgebrachte stemmen (die meer dan de helft van het kapitaal vertegenwoordigd) kan worden genomen. Het gaat niet om de wijziging van een op grond van de statuten specifiek aan de houders van de aandelen A toegekend recht en de wijziging raakt ook niet specifiek deze groep aandeelhouders. De uitgebrachte stemmen moeten (in beginsel) nog altijd meer dan de helft van het geplaatste kapitaal vertegenwoordigen. Die meerderheid werd op het moment van statutenwijziging gevormd door de aandelen A. De wijziging doet daar geen afbreuk aan.
Door [eiseres] zijn geen andere feiten of omstandigheden gesteld die de conclusie rechtvaardigend dat het besluit tot wijziging van artikel 26 van de statuten nietig is.
Aan het subsidiaire beroep van [eiseres] op vernietiging van het besluit gaat de rechtbank voorbij, omdat de vordering tot vernietiging te laat is ingesteld. Op grond van artikel 2:15 lid 5 BW vervalt de bevoegdheid om vernietiging van het besluit te vorderen een jaar na het einde van de dag, waarop hetzij aan het besluit voldoende bekendheid is gegeven, hetzij de belanghebbende van het besluit kennis heeft genomen of daarvan is verwittigd. Vaststaat dat [eiseres] in ieder geval op 18 augustus 2020 op de hoogte was van het besluit, aangezien haar advocaat daar op die dag schriftelijk bezwaar tegen heeft gemaakt. De vordering tot vernietiging is pas 5 juli 2022 ingesteld, dus ruim na de vervaltermijn. Dat het besluit nog niet is uitgevoerd is, anders dan [eiseres] stelt, voor de aanvang van de termijn niet relevant en kan dus niet tot een ander oordeel leiden. Ook de redelijkheid en billijkheid staan aan dit oordeel niet in de weg.
De rechtbank is aldus van oordeel dat het besluit van 13 augustus 2020 rechtsgeldig is voor zover het betrekking heeft op de wijziging van artikel 26 van de statuten. Vervolgens ligt de vraag voor of de redelijkheid en billijkheid van artikel 2:8 BW eraan in de weg staan dat aan dit (deel van het) besluit uitvoering wordt gegeven, zoals het meer subsidiaire standpunt van [eiseres] luidt. De rechtbank beantwoordt die vraag ontkennend. Door gedaagden is gemotiveerd betwist dat het besluit is genomen om [eiseres] buiten spel te zetten. Zij hebben erop gewezen dat het besluit is genomen in het belang van de door [bedrijf] gedreven onderneming, dat [eiseres] altijd al op meer afstand van de bedrijfsvoering stond en dat met het besluit geen afbreuk wordt gedaan aan de zeggenschapsrechten die zij als meerderheidsaandeelhouder samen met [naam 1] heeft. Tegenover deze betwisting heeft [eiseres] onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd die haar beroep op de redelijkheid en billijkheid rechtvaardigen.
II. Besluit tot uitgifte aandelen
Op 23 juli 2021 heeft de RvC besloten tot uitgifte van aandelen B en C aan F.A.M. Holding respectievelijk BRPD. Gedaagden hebben toegelicht dat de uitgifte aan de vennootschappen van [naam 2] en [naam 3] heeft plaats gevonden om [naam 2] en [naam 3] te belonen voor de door hen voor de onderneming van [bedrijf] uitgevoerde werkzaamheden. Aldus is sprake van de toekenning van een bezoldiging aan een commissaris en een bestuurder.
De rechtbank is van oordeel dat, zoals zij partijen ook tijdens de zitting heeft voorgehouden, het besluit tot uitgifte van aandelen aan (de vennootschap van) [naam 2] niet kon worden genomen zonder betrokkenheid van de aandeelhouders van [bedrijf] . Artikel 16 lid 2 van de statuten (en dat is in overeenstemming met artikel 2:255 BW) bepaalt immers dat de algemene vergadering bevoegd is tot het toekennen van een bezoldiging aan één of meerdere commissarissen. Dat het besluit tot uitgifte van aandelen aan (de vennootschap van) [naam 2] op voordracht of met instemming van de algemene vergadering is genomen is niet gesteld of anderszins gebleken. Het besluit van de RvC van 23 juli 2021 tot uitgifte van aandelen B aan F.A.M. Holding is daarom nietig.
De RvC kon gelet op het bepaalde in artikel 14 lid 3 en artikel 8 lid 2 van de statuten wel rechtsgeldig besluiten over de beloning van [naam 3] en overgaan tot uitgifte van aandelen C tegen nominale waarde. Dat bij die aandelenuitgifte in strijd is gehandeld met de statuten, is niet komen vast te staan. Weliswaar hebben de overige aandeelhouders in beginsel een voorkeursrecht bij de uitgifte van aandelen, maar gelet op het doel van de aandelenuitgifte concludeert de rechtbank dat de RvC gebruik heeft gemaakt van de statutaire mogelijkheid om dit recht bij deze uitgifte uit te sluiten – ook al blijkt dat niet expliciet uit de brief van 23 juli 2021 –, althans dat het voorkeursrecht niet gold (vgl. artikel 2:206a lid 1 BW). In zoverre is van nietigheid, dan wel vernietigbaarheid van het uitgiftebesluit geen sprake.
Dat besluit is naar het oordeel van de rechtbank ook niet op grond van een van de andere door [eiseres] aangevoerde redenen aantastbaar. De onderbouwing van het bestaan van een tegenstrijdig belang van de commissarissen bij het besluit spitst zich toe op de gevolgen van de uitgifte van aandelen aan (de vennootschap van) [naam 2] . Waarom het belang van [naam 2] en/of [naam 1] bij het besluit tot uitgifte van aandelen aan (de vennootschap van) [naam 3] strijdig was met het belang van de vennootschap is niet toegelicht. Ook voor de stelling dat de uitgifte van aandelen aan BRPD naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, zoals bedoeld in artikel 2:8 lid 2 BW, ontbreekt een deugdelijke onderbouwing. [eiseres] wijst wederom met name op de gevolgen van de aandelenuitgifte aan (de vennootschap van) [naam 2] . Dat er geen grondslag bestaat voor de aandelenuitgifte hebben gedaagden gemotiveerd bestreden (zie 4.16). Daarbij maakt het naar het oordeel van de rechtbank geen verschil dat [naam 3] niet direct, maar via zijn vennootschap is beloond, zijn reguliere beloning al riant is of dat een contractuele bonusregeling ontbreekt. Dat maakt het (rechtsgeldige) besluit tot aandelenuitgifte niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Gedaagden hebben bovendien terecht opgemerkt dat uit de weigering van de accountant van [bedrijf] om een goedkeurende verklaring op de jaarrekening te geven, niet kan worden afgeleid dat de beloning van [naam 3] onterecht is. In dit verband merkt de rechtbank nog op dat tussen partijen niet in geschil is dat al jaren sprake is van een succesvolle onderneming.
De rechtbank volgt [eiseres] ook niet in haar stelling dat sprake is van een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de vaststellingsovereenkomst, omdat door het besluit de in de overeenkomst opgenomen afspraak over de winstverdeling wordt aangetast. Dat de afspraken in de vaststellingsovereenkomst eraan in de weg staan dat binnen de vennootschap (op grond van de daarvoor geldende statutaire regels) besluiten worden genomen die een verandering van de aandelenverhouding en winstverdeling meebrengen, heeft [eiseres] , gelet de betwisting van gedaagden, onvoldoende onderbouwd. Daarbij betrekt de rechtbank dat anders dan het geval was bij de aandeelhoudersovereenkomst die onderwerp van geschil was in de procedure die leidde tot het vonnis van deze rechtbank van 1 augustus 2012, in de vaststellingsovereenkomst niet expliciet is opgenomen dat de winstverdelingsregeling slechts in bepaalde omstandigheden of na het maken van nieuwe afspraken tussen de aandeelhouders kan worden gewijzigd.
Nu niet is komen vast te staan dat in strijd met de vaststellingsovereenkomst is gehandeld, kan het hiermee samenhangende beroep van [eiseres] op artikel 2:8 lid 1 BW onbesproken blijven.
Het voorgaande brengt mee dat alleen de aandelenuitgifte aan F.A.M. Holding nietig is en moet worden teruggedraaid. Dat F.A.M. Holding ten tijde van de levering te goeder trouw was als bedoeld in artikel 2:16 lid 2 BW is immers niet gesteld of gebleken. De rechtbank zal [bedrijf] daarom veroordelen tot aanpassing van het aandeelhoudersregister. Als prikkel tot nakoming zal de rechtbank, zoals gevorderd, aan deze veroordeling een dwangsom verbinden. De hoogte van die dwangsom zal worden beperkt tot € 500 per dag, met een maximum van € 50.000. Voor toewijzing van de vordering gebaseerd op artikel 3:300 BW ziet de rechtbank naast het opleggen van een dwangsom geen aanleiding.
Het terugdraaien van de aandelenuitgifte aan F.A.M. Holding heeft niet (zonder meer) tot gevolg dat, zoals [eiseres] stelt, alle besluiten die na 23 juli 2021 zijn genomen nietig zijn. Door de uitgifte van de aandelen van F.A.M. Holding is geen wijziging opgetreden in de aandelenverhouding, in die zin dat daardoor een andere stemverhouding is ontstaan. [eiseres] heeft voorts ook niet gesteld, noch is anderszins gebleken dat besluiten zijn genomen, die anders waren geweest indien de aandelen aan F.A.M. Holding niet waren uitgegeven. Het aan F.A.M. Holding in september 2021 bij aandeelhoudersbesluit toegekende dividend had betrekking op de winstreserve uit de jaren 2019 en 2020, zodat de nietige uitgifte ook niet van invloed is geweest op de uitkering van het dividend. Gelet op dit een en ander is de rechtbank van oordeel dat de vordering inzake de verklaring voor recht inhoudende dat aandeelhoudersbesluiten genomen na 23 juli 2021 nietig zijn, moet worden afgewezen.
III. Dividenduitkeringen F.A.M. Holding
Tussen partijen is niet in geschil dat sinds 2016 een bedrag van in totaal € 2.475.000 aan dividend aan F.A.M. Holding is uitgekeerd. De vraag die allereerst voorligt is of aan de dividenduitkeringen steeds een rechtsgeldig besluit van de algemene vergadering van aandeelhouders ten grondslag heeft gelegen. Volgens [eiseres] is dat niet zo. De rechtbank volgt haar daarin niet.
Aan de in 2016 gedane uitkering van € 275.000 ligt een buiten vergadering genomen besluit van de aandeelhouders van [bedrijf] van 15 november 2016 ten grondslag. Zoals gedaagden terecht hebben opgemerkt werden de aandelen A op dat moment gehouden door de Stichting administratiekantoor [bedrijf] (hierna: de STAK) en niet door [eiseres] en [naam 1] . Uit het besluit blijkt dat de STAK net als de andere aandeelhouders heeft ingestemd met de uitkering aan F.A.M. Holding. Daarnaast heeft het bestuur van [bedrijf] , na het verrichten van een uitkeringstest, haar goedkeuring aan het besluit verleend.
In 2019 is aan F.A.M. Holding een bedrag van € 1.000.000 uitgekeerd.
Het besluit tot uitkering van dat bedrag is vastgelegd in het door gedaagden als productie 7 overgelegde document waarboven staat dat het gaat om de notulen van een aandeelhoudersvergadering gehouden op 10 juli 2019. Uit de verklaringen van partijen over de totstandkoming van het besluit maakt de rechtbank op dat er op die datum niet daadwerkelijk een (officiële) aandeelhoudersvergadering heeft plaatsgevonden. Dat wordt bevestigd door het feit dat [naam 3] het document pas op 23 juli 2019 heeft getekend. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het besluit moet worden aangemerkt als een besluit buiten vergadering.
Nu alle aandeelhouders het document hebben getekend, kan naar het oordeel van de rechtbank worden aangenomen dat alle (vergaderingsgerechtigde) aandeelhouders met deze wijze van besluitvorming alsook met de inhoud van het besluit hebben ingestemd. Tijdens de zitting op 6 juni 2024 heeft [eiseres] weliswaar betwist dat het haar handtekening is die op het document staat, maar die betwisting staat haaks op dat wat zij in de dagvaarding heeft aangevoerd. Daarin staat immers dat zij op 10 juli 2019 – voorafgaand aan het etentje dat haar zoon voor zijn verjaardag had georganiseerd – bij [naam 1] en [naam 2] is geweest en aldaar een aan haar voorgehouden document heeft getekend. De rechtbank is van oordeel dat gelet hierop geen sprake is van een stellige ontkenning door [eiseres] van de ondertekening van het als productie 7 door gedaagden overgelegde document, als bedoeld in artikel 159 lid 2 Rv. Daar komt bij dat [eiseres] heeft erkend dat zij op de hoogte was van de ziekte van [naam 2] en dat dit binnen de onderneming stil werd gehouden. Volgens gedaagden was die ziekte nu juist de reden waarom tot dit besluit tot betaling van dividend is overgegaan. Zij hebben toegelicht dat [naam 2] en [naam 1] [eiseres] bij hen thuis hebben uitgenodigd en haar in vertrouwen hebben genomen over de ziekte van [naam 2] . Dat is ook de reden dat [naam 3] later heeft getekend. Het geld was, aldus gedaagden, bedoeld als buffer voor de familie en [eiseres] was hiervan volledig op de hoogte. Het dividendbedrag is, nadat ook [naam 3] het document had ondertekend, aan F.A.M. Holding uitgekeerd. Gelet op dit een en ander gaat de rechtbank aan de betwisting van de handtekening door [eiseres] voorbij. Voor het overige heeft [eiseres] geen verweer gevoerd tegen het als productie 7 overgelegde document. Uit de inhoud ervan en uit de handelingen die daarna zijn verricht blijkt in voldoende mate dat met het document is bedoeld te besluiten tot uitgifte van € 1.000.000 dividend aan (de vennootschap van) [naam 2] . Niet in geschil is dat de dividendreserve van F.A.M. Holding toereikend was voor de uitkering van het bedrag. Voor zover al [eiseres] het document heeft getekend zonder van de inhoud daarvan kennis te nemen, leidt dat niet tot nietigheid van het besluit. Ook overigens zijn geen gronden voor nietigheid van dit besluit gebleken.
De uitkeringen van dividend over de boekjaren 2019 (€ 606.000) en 2020 (€ 600.000) aan F.A.M. Holding zijn gebaseerd op een aandeelhoudersbesluit dat is genomen tijdens de aandeelhoudersvergadering op 24 september 2021, waarbij [naam 2] , [naam 3] , [naam 1] en de zoon van [eiseres] – als haar gevolmachtigde – aanwezig waren. [eiseres] heeft niet betwist dat het besluit met een meerderheid van de tijdens de vergadering uitgebrachte stemmen is genomen, ook als geen rekening wordt gehouden met de hiervoor besproken aandelenuitgifte. F.A.M. Holding en BRPD hebben immers allebei voor het besluit gestemd, terwijl [eiseres] en [naam 1] vanwege het ontbreken overeenstemming tussen hen beiden geen stem konden uitbrengen. Daarmee is gelet op artikel 25 lid 4 gelezen in combinatie met artikel 20 lid 3 van de statuten het besluit, waaraan ook het bestuur na uitvoering van een balans- en uitkeringstest haar goedkeuring heeft verleend, rechtsgeldig tot stand gekomen.
Dat, zoals [eiseres] stelt, de in de vaststellingsovereenkomst opgenomen winstdelingsregeling en/of het pariteitsbeginsel van artikel 2:201 BW aan de dividenduitkeringen in de weg stonden, is, gelet op de betwisting van die stelling door gedaagden, niet komen vast te staan. De betwisting van gedaagden komt erop neer dat in de statuten van [bedrijf] een van de wettelijke bepalingen afwijkende regeling voor de berekening van dividend is opgenomen en dat uitkeringen van dividend ten laste van de dividendreserves worden gedaan, zodat het pariteitsbeginsel en de winstverdelingsregeling geen rol spelen bij de beantwoording van de vraag of de uitkering aan F.A.M. Holding kon plaatsvinden. Daarvoor is, aldus gedaagden, enkel relevant of de dividendreserve voor de aandelen B de uitkeringen toestond. Gelet hierop, is de rechtbank van oordeel dat [eiseres] haar stelling onvoldoende heeft onderbouwd. Het enkele feit dat de aandeelhouder A (en C) in tegenstelling tot aandeelhouder B in de periode van 2016 tot 2021 geen dividend uitgekeerd heeft gekregen, wil nog niet zeggen dat wettelijke bepalingen of contractuele afspraken over de verdeling van winst zijn geschonden. Niet gesteld of anderszins gebleken is dat in de betreffende jaren – overeenkomstig de winstverdelingsregeling – geen bedragen aan de dividendreserves van de aandelen A (en C) zijn toegevoegd. Voor het lange tijd uitblijven van een uitkering bestonden bovendien duidelijke redenen, namelijk maatregelen die zijn getroffen voor de toepassing van de bedrijfsopvolgingsregeling en de omstandigheid dat [eiseres] en [naam 1] niet samen hebben gevraagd om een uitkering. Overigens hebben er inmiddels wel dividenduitkeringen aan [eiseres] (en [naam 1] ) plaatsgevonden.
[eiseres] stelt ook nog dat door het ontbreken van de liquiditeitstoetsen niet is gebleken dat de uitkeringen gelet op de financiële positie van [bedrijf] geoorloofd waren. Ook die stelling treft geen doel. Dat het bestuur voorafgaand aan de dividenduitkeringen in 2016, 2019 en 2021 steeds een liquiditeitstoets heeft uitgevoerd en dat de uitkeringen geoorloofd waren, blijkt uit de door gedaagden overgelegde producties 5, 7 en 10. [eiseres] heeft de juistheid van deze producties niet (gemotiveerd) bestreden. Er bestaat dan ook geen grond voor toewijzing van onderdeel C. van vordering III.
[eiseres] vordert uiterst subsidiair een verklaring voor recht dat wat betreft de som aan rechtmatig door F.A.M. Holding B.V. ontvangen dividend (€ 2.475.000) eerst aandeelhouders A en C, naar rato van dit door aandeelhouder B ontvangen saldo gerelateerd aan de tussen de aandeelhouders geldende aandelenverhoudingen van de aandelen [bedrijf] , dividenduitkeringen ontvangen met uitsluiting van aandeelhouder B, totdat de gelijkheid van de winstuitkeringen tussen aandeelhouders A, B en C zal zijn hersteld, met veroordeling van [bedrijf] deze wijze van dividenduitkering uit te voeren. Een deugdelijke grondslag voor deze vordering ontbreekt. Voor zover [eiseres] zich ook voor deze vordering beroept op schending van statutaire of wettelijke winstverdelingsregels, strandt dit beroep op grond van wat daarover hiervoor al is overwogen. De vordering zal dan ook worden afgewezen.
IV. Verdeling dividendreserve
De vordering tot verdeling van de dividendreserve van de houders van aandelen A wordt afgewezen. De dividendreserve is geen onderdeel van de tussen [eiseres] en [naam 1] bestaande gemeenschap van de nalatenschap van [naam 4] , maar behoort tot het vermogen van de vennootschap. De dividendreserve komt als zodanig dan ook niet voor verdeling in aanmerking. De bijbehorende vordering tot veroordeling van [naam 1] als deelgenote in aandeelhouder A, aandeelhouder B, aandeelhouder C, [bedrijf] , [naam 3] , commissaris [naam 2] en commissaris [naam 1] tot medewerking aan de effectuering van de verdeling is daarmee ook niet toewijsbaar.
V. Vergoeding kosten
[eiseres] baseert haar vordering tot vergoeding van de door haar gemaakte kosten primair op een afspraak tussen partijen. Het bestaan van die afspraak heeft [eiseres] gelet op de betwisting daarvan door gedaagden onvoldoende onderbouwd. Gedaagden hebben erop gewezen dat tijdens gesprekken met Asian Food Group over de overname van de aandelen van [bedrijf] is overeengekomen dat Asian Food Group bij totstandkoming van een overnameovereenkomst de advieskosten van [eiseres] zou voldoen tot een bedrag van € 250.000. Dat bedrag zou aan [bedrijf] worden betaald, waarna [bedrijf] dit bedrag zou doorbetalen aan [eiseres] . [eiseres] heeft niet toegelicht waarom zij naleving van die afspraak van [bedrijf] kan verlangen, ondanks dat er geen overnameovereenkomst met Asian Food Group tot stand is gekomen. Voor zover [eiseres] zich op een andere afspraak beroept, heeft zij geen feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit het bestaan van die afspraak kan worden afgeleid.
De rechtbank ziet ook in het bepaalde in artikel 2:8 lid 1 BW geen grond voor toewijzing van de vordering van [eiseres] . Zelfs als het zo is dat [bedrijf] de kosten van deze procedure van de andere gedaagden voor haar rekening neemt en [eiseres] daar indirect (door de afname van de winst en daarmee de afname van het door haar te ontvangen dividend) aan meebetaalt, betekent dat niet dat de redelijkheid en billijkheid vergen dat [bedrijf] ook de kosten van [eiseres] draagt. Daarbij acht de rechtbank van belang dat [eiseres] degene is die deze procedure is gestart en [bedrijf] de daaruit voortvloeiende kosten hoe dan ook zou moeten maken. Alle vorderingen zijn immers gericht tegen [bedrijf] , althans hebben, bij toewijzing daarvan, (ook) gevolgen voor de vennootschap.
Meer subsidiair stelt [eiseres] zich op het standpunt dat gedaagden op grond van een toerekenbaar tekortschieten in de nakoming van de afspraken uit de vaststellingsovereenkomst de door haar gemaakte kosten, als zijnde de door haar geleden schade, moeten betalen. Hiervoor heeft de rechtbank al geoordeeld dat [eiseres] onvoldoende heeft onderbouwd dat gedaagden afspraken uit de vaststellingsovereenkomst hebben geschonden. Voor veroordeling van gedaagden tot betaling van een schadevergoeding bestaat dan ook geen grond.
Dit betekent dat de vordering onder V. zal worden afgewezen.
VI. Proceskosten
Omdat beide partijen gedeeltelijk ongelijk krijgen, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
5. De beslissing
De rechtbank:
verklaart voor recht dat het besluit van de algemene vergadering van aandeelhouders van 13 augustus 2020 tot wijziging van artikel 16 van de statuten van [bedrijf] nietig is;
verklaart voor recht dat het besluit van de RvC van 23 juli 2021 tot uitgifte van aandelen B aan F.A.M. Holding nietig is;
veroordeelt [bedrijf] tot ongedaanmaking van de uitgifte van de in 5.2. bedoelde aandelen B en dienovereenkomstige aanpassing van het aandeelhoudersregister op straffe van een dwangsom van € 500 per dag dat [bedrijf] niet aan deze veroordeling voldoet, met een maximum van € 50.000;
wijst het meer of anders gevorderde af;
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, zodat iedere partij de eigen kosten draagt,
verklaart de onderdelen 5.3 van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.C. Bordes en in het openbaar uitgesproken op 25 september 2024.