RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoeker] , verzoeker,
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.26970
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. M.J.M. Ristra-Peeters),
en
(gemachtigden: mr. H. Chamkh en mr. C. Wesenbeek).
Procesverloop
In het besluit van 18 augustus 2023 heeft verweerder vastgesteld dat het recht van verzoeker op tijdelijke bescherming op 4 september 2023 eindigt. Verzoeker heeft tegen dat besluit beroep ingesteld (NL23.26969) en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen (NL23.26970).
Verweerder heeft het besluit van 18 augustus 2023 ingetrokken. Verzoeker heeft aangegeven het ingestelde beroep tegen het besluit van 18 augustus 2023 niet in te trekken.
In het besluit van 7 februari 2024 heeft verweerder vastgesteld dat verzoeker met ingang van 5 maart 2024 niet langer rechtmatig in Nederland verblijft, dat hij de Europese Unie binnen vier weken ná 4 maart 2024 moet verlaten en dat hij moet terugkeren naar Pakistan. Verweerder heeft dit besluit genomen omdat de tijdelijke bescherming van verzoeker, volgens verweerder, van rechtswege eindigt na 4 maart 2024.
Verzoeker heeft tegen het besluit van 7 februari 2024 beroep (NL24.5395) ingesteld.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 6 maart 2024 op zitting behandeld. De meervoudige kamer van deze rechtbank heeft op diezelfde zitting de door verzoeker ingestelde beroepen behandeld. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [tolk]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.
Overwegingen
1. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed dat gelet op de betrokken belangen vereist.
2. Uit het besluit van 7 februari 2024 volgt dat verweerder zich op het standpunt stelt dat verzoeker met ingang van 5 maart 2024 geen rechtmatig verblijf meer heeft omdat dan de tijdelijke bescherming die verzoeker heeft op grond van Richtlijn 2001/55/EG (de richtlijn) eindigt. Verzoeker kan daarom geen aanspraak meer maken op de rechten die verbonden zijn aan die tijdelijke bescherming. Verzoeker moet de Europese Unie verlaten en hij kan uiteindelijk worden uitgezet indien hij dat niet doet. De vereiste onverwijlde spoed is hiermee gegeven.
3. Gelet op de aard en omvang van de beroepen en de rechtsvragen die daarbij zijn opgeworpen, kan de voorzieningenrechter in deze uitspraak, die alleen over het verzoek om een voorlopige voorziening gaat, geen voorlopig oordeel geven over de rechtmatigheid van de bij het procesverloop genoemde besluiten. De voorzieningenrechter zal zich daarom beperken tot een afweging van de belangen van partijen.
4 De meervoudige kamer van deze rechtbank heeft op de zitting van 6 maart 2024 aangegeven op 27 maart 2024 op verzoekers beroepen te beslissen. Daarbij zal worden ingegaan op verzoekers beroepsgronden en de daarin opgeworpen rechtsvragen. Een van de rechtsvragen betreft de vraag of verzoeker ook na 4 maart 2024 rechten kan ontlenen aan de richtlijn. Het belang van verzoeker in deze voorlopige voorzieningenprocedure is enerzijds gelegen in het schorsen van het besluit van het terugkeerbesluit van 7 februari 2024. Anderzijds heeft verzoeker er belang bij dat hij, totdat de meervoudige kamer op het beroep heeft beslist, aanspraak kan blijven maken op de rechten die horen bij het hebben van de tijdelijke bescherming. Verzoekers belang bij het behouden van deze rechten, in het bijzonder het gebruik kunnen maken van de gemeentelijke opvang, het mogen werken in Nederland en het gebruiken van medische voorzieningen, weegt naar het oordeel van de voorzieningenrechter zwaarder dan het belang van verweerder. Daarom wijst de rechtbank verzoekers verzochte voorlopige voorziening toe.
5. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.750,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 875,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- schorst het besluit van 7 februari 2024 totdat is beslist op het beroep;
- bepaalt dat verzoeker, totdat op het beroep is beslist, dient te worden behandeld als een vreemdeling die onder de werking van Richtlijn 2011/55/EG valt;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 1.750.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.N. van Rijn, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr.J.P. Ankum, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.