[eiser], uit [woonplaats] (Frankrijk), eiser
en
de Nationale ombudsman (de No), verweerder
(gemachtigde: mr. L. Scheppink).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van 25 juli 2023, waarbij bijstand of vertegenwoordiging door eiser per direct voor een duur van zes maanden is geweigerd. Deze weigering heeft betrekking op alle handelingen die verband houden met verzoeken op grond van de Wet open overheid (Woo), zoals het indienen van een verzoek en het inzetten van rechtsmiddelen.
Het door eiser hiertegen gemaakte bezwaar is aangemerkt als rechtstreeks beroep.
De No heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift van 29 november 2023.
De rechtbank heeft het beroep op de zitting van 13 december 2023 behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van de No, vergezeld door mr. [naam].
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
2. De No heeft eiser bij het bestreden besluit van 25 juli 2023 voor de duur van zes maanden geweigerd als gemachtigde in de zin van artikel 2:2, eerste lid, van de Awb. Aanleiding voor de weigering is dat eiser zich schuldig maakt aan misbruik van recht, in de zin van artikel 4.6 van de Wet open overheid (Woo).
De No stelt zich, onder verwijzing naar de besluiten van 12 december 2022 en 14 april 2023 (in de procedures met zaaknummers SGR 23/1926 en SGR 23/2936), op het standpunt dat eiser bij het doen van verzoeken op grond van de Woo, al dan niet in naam van stichting De Verbeelding of anderszins, de Woo gebruikt voor een ander doel dan waarvoor de wet is bedoeld. De gedragingen en handelwijze bij het doen van verzoeken, evenals de procedures die daarmee samenhangen, zijn kennelijk gedaan vanuit rancune tegen de No dan wel met als doel de organisatie van de No te ontregelen. De No concludeert hieruit dat sprake is van misbruik van recht. De No heeft het bestreden besluit genomen omdat dit misbruik zich voortzet in de verzoeken die worden ingediend door derden waarbij eiser als gemachtigde optreedt. Daarbij wijst de No op het feit dat deze derden vaak eerst een verzoek doen over informatie die henzelf betreft en vervolgens verzoeken doen over onderwerpen die overeenkomen of in lijn liggen met onderwerpen waarover eiser of de stichting informatie heeft opgevraagd. Ook is opvallend dat deze verzoeken namens derden eerst binnenkwamen nadat ten aanzien van eiser misbruik van recht was aangenomen. Daarnaast is er sprake van een zeer algemene machtiging. Ten slotte acht de No de duur van de weigering passend bij de ernst van de gedragingen.
Het besluit tot weigering als gemachtigde is mede gebaseerd op het feit dat er tussen eiser en derden die hij vertegenwoordigt, geen sprake is van een normale verhouding zoals je die zou verwachten bij een zakelijke relatie tussen een gemachtigde en de personen die hij vertegenwoordigt.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser voert aan dat verweerder hem ten onrechte als gemachtigde heeft geweigerd.
Beoordeling door de rechtbank
4. Voor de No bestaat de mogelijkheid het optreden als gemachtigde door een bepaald persoon te weigeren. De hoogste bestuursrechter heeft eerder overwogen dat van deze bevoegdheid slechts in uitzonderlijke gevallen gebruik mag worden gemaakt. Er moeten ernstige bezwaren aan de orde zijn. Blijkens de totstandkomingsgeschiedenis van deze bepaling kunnen deze bezwaren van uiteenlopende aard zijn. Gedacht kan worden aan gevallen van evidente en ernstige ondeskundigheid. Ook kan worden gedacht aan gemachtigden die herhaaldelijk de normale gang van zaken, eventueel met bedreiging van geweld, verstoren. In aanvulling daarop heeft de Afdeling overwogen dat ook gevallen van misbruik van recht door een bepaalde persoon ernstige bezwaren kunnen vormen op grond waarvan die persoon als gemachtigde mag worden geweigerd. Ernstige bezwaren zijn evenwel niet reeds aan de orde indien de betrokken persoon in een incidenteel en op zichzelf staand geval misbruik van recht heeft gemaakt. Gelet op het ingrijpende karakter van de bevoegdheid tot weigering van een gemachtigde, vereist de zorgvuldigheid dat het bestuursorgaan uiteenzet op grond van welke concrete feiten en omstandigheden het zich op het standpunt stelt dat ernstige bezwaren tegen die persoon bestaan.
In de uitspraak van heden, met zaaknummers SGR 23/1926 en SGR 23/2936, heeft de rechtbank geoordeeld dat eiser met het indienen van de Woo-verzoeken misbruik heeft gemaakt van het recht om Woo-verzoeken in te dienen. De No heeft in de besluiten van 12 december 2022 en 14 april 2023 (in de procedures met zaaknummers SGR 23/1926 en SGR 23/2936) op deugdelijk gemotiveerde wijze aannemelijk gemaakt dat eiser bij de indiening van de Woo-verzoeken misbruik heeft gemaakt van het recht om Woo-verzoeken in te dienen en dat dit misbruik geen incidenteel en op zichzelf staand geval is. Gelet daarop is de rechtbank van oordeel dat de No zich in het bestreden besluit op het standpunt heeft mogen stellen dat jegens eiser ernstige bezwaren bestaan als bedoeld in artikel 2:2 van de Awb. In wat eiser aanvoert ziet de rechtbank geen reden voor een ander oordeel. In de hiervoor genoemde uitspraak heeft de rechtbank in overweging 13.15 geoordeeld dat eiser misbruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid om beroep in te stellen. Dit oordeel geldt evenzeer voor de gedragingen van eiser in dit beroep.
Conclusie en gevolgen
5. De rechtbank is van oordeel dat de No bijstand of vertegenwoordiging door eiser voor de duur van zes maanden heeft mogen weigeren. Bovendien heeft eiser misbruik gemaakt van de bevoegdheid tot het instellen van beroep tegen het bestreden besluit. Nu het beroep misbruik van recht inhoudt, is het beroep niet-ontvankelijk. De niet-ontvankelijk verklaring van het beroep heeft tot gevolg dat het bestreden besluit in stand blijft.
6. Voor een veroordeling van verweerder in de proceskosten en vergoeding van de betaalde griffierechten ziet de rechtbank geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, voorzitter, en mr. A.M.H. van der Poort-Schoenmakers en mr. D.W.M. Wenders, leden, in aanwezigheid van mr. J.R. van Veen, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 maart 2024.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.