RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser] , eiser
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.12519
V-nummer: [V-nr.]
(gemachtigde: mr. S.C. van Paridon),
en
(gemachtigde: mr. R.P.G. van Bel).
Procesverloop
Bij besluit van 21 maart 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 27 maart 2024 op zitting behandeld in Breda. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen L. van den Bergh. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser is geboren op [geboortedatum] en heeft de Albanese nationaliteit.
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.
Verweerder heeft als zware gronden vermeld dat eiser:3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:4a. zich niet aan één of meer andere voor hem/haar geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die aan de maatregel ten grondslag liggen niet heeft betwist. De rechtbank is van oordeel dat de zware gronden feitelijk juist zijn. Verweerder heeft ook voldoende toegelicht dat de lichte gronden bijdragen aan een risico op onttrekking aan het toezicht. Deze zware en lichte gronden zijn voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.
4. Eiser voert aan dat verweerder niet voortvarend heeft gehandeld. Evenmin heeft verweerder zich gehouden aan zijn informatieplicht. De maatregel van bewaring is daarom onrechtmatig. Hij stelt daartoe het volgende. Eiser is als verdachte van overtreding van artikel 461 van het Wetboek van Strafrecht aangehouden. Op 26 maart 2024 was verweerder in ieder geval bekend met de omstandigheid dat eiser op 29 maart 2024 wordt uitgezet. Verweerder had daarom op 26 maart 2024 aan het openbaar ministerie (OM) moeten vragen of zij bezwaar heeft tegen de uitzetting van eiser. Niet is gebleken dat verweerder het OM heeft geïnformeerd over eisers uitzetting. Ook is niet gebleken dat verweerder op 26 maart 2024 een uittreksel uit de Justitiële Documenten (JD) heeft opgevraagd.
5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende voortvarend heeft gehandeld. Verweerder heeft ter zitting meegedeeld dat hij op 27 maart 2024 bij het OM heeft geïnformeerd in het kader van eisers geplande uitzetting op 29 maart 2024. Ook heeft verweerder ter zitting verklaard dat hij een reactie heeft ontvangen van het OM, waaruit volgt dat het OM geen bezwaar heeft tegen de uitzetting van eiser. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan verweerders verklaringen ter zitting. Door op 27 maart 2024 het OM te informeren, heeft verweerder voldoende voortvarend gehandeld. Verweerder heeft hiermee ook voldaan aan zijn informatieplicht tegenover eiser en de rechtbank. Aangezien verweerder het OM heeft geïnformeerd, ziet de rechtbank geen aanleiding voor de conclusie dat verweerder eveneens een (nieuw) uittreksel uit de Justitiële Documenten had moeten opvragen. De rechtbank vindt steun voor dit oordeel in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4219. De beroepsgrond slaagt niet.
6. Tot slot leidt de ambtshalve toetsing ook niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Verweerder hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. R. de Mul, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.