RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.12518
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. S.C. van Paridon),
en
(gemachtigde: mr. R.P.G. van Bel).
Procesverloop
Bij besluit van 21 maart 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 27 maart 2024 op zitting behandeld in Breda. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen L. van den Bergh. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1991 en heeft de Albanese nationaliteit.
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.
Verweerder heeft als zware gronden vermeld dat eiser:3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die aan de maatregel ten grondslag liggen niet heeft betwist. De rechtbank is van oordeel dat de zware gronden feitelijk juist zijn. Verweerder heeft ook voldoende toegelicht dat de lichte gronden bijdragen aan een risico op onttrekking aan het toezicht. Deze zware en lichte gronden zijn voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.
4. Eiser voert aan dat verweerder niet voortvarend heeft gehandeld. Evenmin heeft verweerder zich gehouden aan zijn informatieplicht. De maatregel van bewaring is daarom onrechtmatig. Hij stelt daartoe het volgende. Eiser is als verdachte van overtreding van artikel 461 van het Wetboek van Strafrecht aangehouden. Verweerder had het openbaar ministerie (OM) moeten vragen of zij bezwaar heeft tegen de uitzetting van eiser. Niet is gebleken dat verweerder het OM heeft geïnformeerd over eisers uitzetting. Ook is niet gebleken dat verweerder een uittreksel uit de Justitiële Documentatie (JD) heeft opgevraagd.
5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende voortvarend heeft gehandeld. Verweerder heeft met zijn aanbiedingsbrief van 27 maart 2024 meegedeeld dat de vluchtgegevens bekend zijn geworden en dat uit deze gegevens volgt dat eiser op 29 maart 2024 wordt uitgezet. Verder heeft verweerder ter zitting meegedeeld dat hij op dezelfde dag, 27 maart 2024, bij het OM heeft geïnformeerd in het kader van eisers geplande uitzetting op 29 maart 2024. Ook heeft verweerder ter zitting verklaard dat hij een reactie heeft ontvangen van het OM, waaruit volgt dat het OM geen bezwaar heeft tegen de uitzetting van eiser. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan verweerders verklaringen ter zitting. Verweerder heeft voldoende voortvarend gehandeld, nu hij op de dag dat hij bekend werd met de vluchtgegevens ook aan het OM heeft gevraagd of zij bezwaar heeft tegen eisers uitzetting. Verweerder heeft met zijn verklaringen ter zitting ook voldaan aan zijn informatieplicht tegenover eiser en de rechtbank. Aangezien verweerder het OM heeft geïnformeerd, ziet de rechtbank geen aanleiding voor de conclusie dat verweerder eveneens een (nieuw) uittreksel uit de Justitiële Documentatie had moeten opvragen. De rechtbank vindt steun voor dit oordeel in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4219. De beroepsgrond slaagt niet.
6. Tot slot leidt de ambtshalve toetsing ook niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Verweerder hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. R. de Mul, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.