RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser], eiser,
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.13524
V-nummer: [V-nr.]
(gemachtigde: mr. R.W. Koevoets),
en
Procesverloop
Verweerder heeft op 10 januari 2024 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
Eiser heeft daarop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek op 3 april 2024 gesloten.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Gambiaanse nationaliteit te hebben.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Daarom staat nu alleen ter beoordeling of de maatregel van bewaring rechtmatig is vanaf het moment van het sluiten van het onderzoek in het laatste beroep op 1 maart 2024.
4. Eiser stelt dat hem en zijn gemachtigde onbekend is wanneer de Gambiaanse autoriteiten een vervangend reisdocument voor hem hebben verstrekt. Om die reden kan volgens eiser niet beoordeeld worden of verweerder voldoende voortvarend heeft gehandeld. Eiser meent dan ook dat daarom geoordeeld dient te worden dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gehandeld, waardoor de maatregel van bewaring moet worden opgeheven.
De rechtbank oordeelt als volgt.
5. Eiser wijst er terecht op dat uit het dossier niet blijkt op welke datum de Gambiaanse autoriteiten een lp hebben verstrekt. Wel kan geconstateerd worden dat eiser op 7 maart 2023 is gepresenteerd aan de Gambiaanse autoriteiten, waarna zijn nationaliteit is bevestigd. Uit de voortgangsrapportage blijkt verder dat verweerder vervolgens heeft gewerkt aan het concrete vertrek van eiser middels het doen van een vluchtaanvraag en regelen van de escortopdracht. Er staat een vlucht voor eiser gepland op 18 april 2024. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt.
6. Ook overigens is het de rechtbank niet gebleken dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig is geweest.
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.